sneevliet资料

-在amsterdam有sneevliet命名的地铁站,(metrostation Henk Sneevlietweg.)(https://nl.wikipedia.org/wiki/Henk_Sneevlietweg)

-在nijmegen有Henk Sneevliet命名的立交桥

-在rotterdam有Henk Sneevlietstraat命名的街道 (henk sneevlietstraat 3191be hoogvliet rotterdam

一部描述荷兰人Henk Maring(马林)长达一个小时的文献纪录片于2011年7月初,庆祝中国共产党成立90周年期间,在荷兰电视第二台播放。凸显当年这位共产国际代表协助中国共产党成立的背景与活动,见证中共一大召开唯一的西方人。2008年4月18日上海市历史博物馆代表团抵达荷兰,前往荷兰共产党人马林曾经居住过的VOLK寻找马林的足迹。马林是这名荷兰共产主义者当时使用的化名(Henk Maring),现以他原名 Henk Sneevliet 命名的立交桥已座落荷兰东部作永恒纪念。而这座宣示中荷友谊见证桥屹立于荷兰东部海尔德兰省境内……

链接:http://www.greenpost.se/www.chineseonline.se/荷兰,欧洲国际奈梅亨四日徒步节/

红色传教士
Henk Sneevliet在中国,1921-1923年

(所有国家的无产者团结起来!)

名称:卡斯珀·范·弗洛霍芬
学生编号:10275029
课程:硕士论文
培训:国际关系史
老师:Vincent Kuitenbrouwer
完成日期:2016年1月15日
字数:19,972
指数

简介3

Sneevliet在荷兰和印度7

中国处于政治和意识形态的真空之中14

东共产国际24

中间王国的缩影35
结论49
资料和文献54

前言
在天安门广场上,毛泽东在与国民党国民党运动进行了二十多年的艰苦斗争后,于1949年宣布成立中华人民共和国。大舵手的肖像仍然占据着这个巨大的广场,成千上万的中国人参观了他的陵墓。尽管今天的中国有自己的巨大飞跃,这不仅归功于共产主义,还归功于国家资本主义的混合形式,但中国共产党(CCP)仍然垄断着政治权力。在中国的教科书中,荷兰共产党人和革命家汉克·斯涅夫列特(Henk Sneevliet)一直是中国参与中共成立的重要历史人物之一。在担任荷兰和东印度群岛的公关人员,工会领袖和政治家多年后,斯涅夫利埃特(Sneevliet)于1921年移居中国,担任共产国际的代表。共产国际成立于1919年,其任务是支持共产党的崛起。促进世界革命的目标。因此,斯涅夫利埃特与弗拉基米尔·列宁,毛泽东,列昂·托洛茨基,苏加诺和孙中山等二十世纪的一些政治领导人相处得很好。从中国返回后,斯涅夫利埃特既反对斯大林化,也反对共产国际对俄国中部政党和国家机关的服从。这就是为什么他选择在国际之外进行意识形态和组织上的重组。所有这些使他在荷兰共产主义者社区中成为叛徒,这在很长一段时间内都不会偏离斯大林的政策。 1929年,斯涅夫利埃特(Sneevliet)与荷兰共产党(CPH)的许多其他持不同政见者一起创立并领导了革命社会党。斯涅夫利耶特(Sneevliet)叫荷兰共产党(CPN),从1935年开始就是CPH的后继者,即“工人运动的梅毒”。在尼共(CPN)内部,斯涅夫列特又被认为是托洛茨基主义者或法西斯主义者。因此,在共产主义运动中,特质的斯涅夫利埃特被视为局外人,而他在世界共产主义中起着核心作用。在他自己的国家,Sneevliet除了以他的名字命名的阿姆斯特丹地铁站外,还因其在荷兰工人运动和抵抗运动中的作用而闻名。 Sneevliet的跨界革命活动鲜为人知,尤其是在中国,因为荷兰东印度仍然是荷兰史学的一部分。世界上很少有人在世界共产主义的传播中发挥如此重要的作用。斯涅夫列特在像中国这样的大国中的突出作用很少引起关注。因此,本硕士论文旨在填补对斯涅夫利特在中国活动的了解,并找到一个答案,即斯涅夫利特作为共产国际的代理人如何试图将共产主义在中国的分裂运动变成群众运动。
1970年代,社会史学在两次世界大战期间特别关注了荷兰的左翼政治,尤其是塞涅夫利特的形象。当时,出版了两本有关他的传记:一本是1974年的Fritjof Ticheleman的传记,另一本是1976年的Max Perthus的传记。但是,这两本传记都只能有限地利用Sneevliet在国际社会历史研究所的档案,这也涵盖了他的中国时代。此外,两位马克思主义者都广泛分享了斯涅夫列特的革命思想。珀斯(Perthus)在其他国家与允许全球压迫的资本主义斗争中,以斯涅夫列特(Sneevliet)为榜样。当然,最好是在社会不平等,军国主义和殖民主义猖a的时代移情。但是,由于走出了马克思主义的框架,新的问题出现了,对史尼夫列特在中国的作用进行了历史性的改革。不幸的是,在此后的几十年中,在这些来源的基础上,并没有出现更多针对Sneevliet的出版物。斯涅夫利埃特(Sneevliet)的名字经常出现在有关中国共产国际的出版物中,但这些出版物通常是从中国共产党(CCP)或俄罗斯外交政策的角度撰写的。在本硕士论文中,主题是共产主义作为一种灵活的世界意识形态,以及它如何尝试以其古老的文化在中国扎根。在斯涅夫利埃特(Sneevliet)到来之前,中国的共产主义在1911年的一场革命推翻了最后一个王朝时几乎不受欢迎。

De Rode Missionaris

Henk Sneevliet in China, 1921-1923       

(proletariërs aller landen, verenigt u!)

 

naam:                           Caspar van Vlokhoven

studentnummer:     10275029

cursus:                          Masterscriptie

opleiding:                   Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen

docent:                    Vincent Kuitenbrouwer

datum voltooiing:  15-01-2016

aantal woorden:    19.972

Inhoudsopgave

Inleiding                                                                                                        3

 

Sneevliet in Nederland en Indië                                                                    7

 

China verzeild in een politiek en ideologisch vacuüm                                  14

 

De Komintern richting het oosten                                                                 24

 

Sneevliet in het Rijk van het Midden                                                            35                                                                  

Conclusie                                                                                                       49                                                                                                                                                    

Bronnen en literatuur                                                                                    54                               Inleiding

Op het Plein van de Hemelse Vrede proclameerde Mao Zedong in 1949 de communistische Volksrepubliek China na ruim twintig jaar een uitputtende strijd gevoerd te hebben tegen de nationalistische Kuomintang-beweging. Nog altijd domineert het portret van de Grote Roerganger dit immense plein en bezoeken tientallen miljoenen Chinezen er zijn mausoleum. Ondanks het feit dat het huidige China zijn grote sprong voorwaarts niet aan het communisme maar aan een hybride vorm van staatskapitalisme te danken heeft, bezit de Chinese Communistische Partij (CCP) er nog steeds het monopolie op de politieke macht.                        In de Chinese schoolboeken leeft de Nederlandse communist en revolutionair Henk Sneevliet voort als een van China’s bepalende historische figuren vanwege zijn betrokkenheid bij de oprichting van de CCP. Na vele jaren actief te zijn geweest als publicist, vakbondsleider en politicus in Nederland en Nederlands-Indië, trok Sneevliet in 1921 naar China als agent van de in 1919 opgerichte Komintern, de wereldorganisatie die tot taak had om de opkomst van communistische partijen te ondersteunen met als doel het bevorderen van de wereldrevolutie. Sneevliet kwam zo op goede voet te staan met een aantal van de politieke kopstukken van de twintigste eeuw zoals Vladimir Lenin, Mao Zedong, Leon Trotski, Sukarno en Sun Yat-sen. Uit China teruggekomen, zou Sneevliet zich zowel tegen de stalinisatie als tegen de onderschikking van de Komintern aan het centrale Russische partij- en staatsapparaat verzetten. Daarom opteerde hij voor een ideologische en organisatorische hergroepering buiten de Internationale om. Dit alles maakte hem in de Nederlandse communistische goegemeente, die lang geen afstand zou nemen van het beleid van Stalin, tot een afvallige. In 1929 stapte Sneevliet samen met een aantal andere dissidenten uit de Communistische Partij Holland (CPH) om vervolgens de Revolutionair-Socialistische Partij op te richten en te leiden.[1] Sneevliet noemde de Communistische Partij Nederland (CPN), vanaf 1935 de opvolger van de CPH, de ‘syfilis van de arbeidersbeweging’. Binnen de CPN gold Sneevliet op zijn beurt als een trotskist, dan wel als een fascist.[2]                                                                                        Binnen de communistische beweging geldt de eigenzinnige Sneevliet daarom als een buitenstaander, terwijl hij binnen het wereldcommunisme een centrale rol speelde. In eigen land is Sneevliet enigszins bekend vanwege, naast een naar hem vernoemd Amsterdams metrostation, zijn rol binnen de Nederlandse arbeidersbeweging en het verzet. Veel minder bekend zijn Sneevliets grensoverstijgende revolutionaire activiteiten, met name in China, aangezien Nederlands-Indië nog een onderdeel vormt van de Nederlandse geschiedschrijving. Weinig personen hebben in de wereld een zodanig voorname rol vervuld in de verspreiding van het wereldcommunisme. De geringe aandacht voor de prominente rol van Sneevliet in een zo grote natie als China is opmerkelijk. Deze masterscriptie heeft daarom tot doel de leemte in de kennis van de activiteiten van Sneevliet in China op te vullen en een antwoord te vinden op de vraag hoe Sneevliet als agent van de Komintern de communistische splinterbeweging in China probeerde om te smeden tot een massabeweging.                                

            In de jaren zeventig ontstond er binnen de sociale geschiedschrijving veel aandacht voor de Nederlandse linkse politiek tijdens het interbellum en de figuur van Sneevliet in het bijzonder. Destijds verschenen er twee biografieën over hem: een van Fritjof Ticheleman uit 1974 en een van Max Perthus uit 1976. Beiden konden echter slechts in beperkte mate gebruik maken van het archief van Sneevliet bij het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis dat ook zijn Chinese periode beslaat.                                                                                     Daarnaast deelden beide marxisten in grote lijnen Sneevliets revolutionaire overtuigingen. Perthus stelde Sneevliet ten voorbeeld voor anderen in hun strijd tegen het kapitalisme dat wereldwijde onderdrukking toelaat.[3] Natuurlijk verdient het aanbeveling zich in te leven in een tijd waarin sociale ongelijkheid, militarisme en kolonialisme welig tierden. Door echter buiten de marxistische kaders te treden, dienen zich nieuwe vragen aan en kan er een historiografische revisie ten aanzien van Sneevliets rol in China plaatsvinden.                               Helaas zijn er in de decennia daarna geen uitvoerige publicaties meer verschenen die Sneevliet op basis van deze bronnen centraal stelden. Sneevliets naam komt regelmatig terug in publicaties over de Komintern in China, maar deze publicaties zijn veelal geschreven vanuit het perspectief van de Chinese Communistische Partij (CCP) of de Russische buitenlandse politiek. In deze masterscriptie ligt de thematische focus op het communisme als flexibele wereldideologie en hoe deze in China met zijn eeuwenoude eigen cultuur wortel probeerde te schieten.                                                                                                                                           Voor de komst van Sneevliet was het communisme in China, waar een revolutie in 1911 de laatste dynastie omver had geworpen, nauwelijks populair. Chinese radicalen waaronder Mao, uit op verandering van het vastgelopen en nog altijd conservatieve bestel, waren veel meer geïnspireerd door het anarchisme. Communisme associeerden zij met de parlementaire sociaal-democratie in Europa waar de industriële ontwikkeling ook nog eens flink verschilde van China. Ondanks de zoektocht naar een ‘nieuwe cultuur’ bleven traditionele Chinese waarden een belangrijke rol vervullen.[4] Het was niet eenvoudig het marxisme, een westerse ideologie ontstaan binnen een Europese context, in te bedden binnen de Aziatische cultuur. Het marxisme zou in Azië alleen succesvol blijken wanneer het zich wist aan te passen aan de inheemse culturele en politieke waarden.[5]                                                                                           De wisselwerking tussen het Chinese politieke denken en buitenlandse ideologische invloeden is een thema dat in recente literatuur steeds meer onder de aandacht is gebracht. In Restless empire hanteert de Noorse historicus Odd Arne Westad een revisionistische benadering door China’s relaties met de buitenwereld in culturele termen te beschouwen. In plaats van conflicten en de rol van diplomaten, besteedt Westad aandacht aan China’s culturele transformatie, hybride identiteit en de rol van missionarissen en revolutionairen.[6] Vanwege Sneevliets vurige geloof in het communisme, zijn hoop door deze leer te verbreiden een meer rechtvaardige wereld te vestigen en zijn volharding en talent om menigtes door het woord te begeesteren, zijn er veel raakvlakken met de missionarissen die hem voorgingen.  In The Wilsonian moment van de Amerikaanse historicus Erez Manela, gespecialiseerd in anti-koloniaal nationalisme in Azië, staat de invloed van globale processen op de nationale ontwikkelingen in China centraal. Het liberaal pluralisme en het Wilsonianisme wedijverden met het marxisme-leninisme in het tot stand brengen van modernisering en vooruitgang. Het lag niet voor de hand dat deze laatste ideologie sterker uit deze strijd zou komen.[7] De Britse historicus David Priestland laat in The Red Flag zien waarom het communisme, tegenwoordig een zo goed als dode ideologie, tijdens de twintigste eeuw op zoveel plekken aan populariteit wist te winnen. Het communisme was dan ook flexibeler dan zijn dogmatische imago doet vermoeden. Vooral in de koloniale wereld waar volkeren zichzelf alleen door revolutie en strijd konden bevrijden, boden de radicale elementen van het communisme, zoals de bereidheid geweld toe te passen of de gedisciplineerde en gecentraliseerde organisatievorm, een geschikt model om de massa’s te mobiliseren en het imperialisme de nek om te draaien.[8]                                  Ook het China in de tijd van Sneevliet komt bij de genoemde drie auteurs aan bod. Voortbordurend op deze literatuur zoom ik in op de twee jaar die Sneevliet in China doorbracht. Allereerst om Sneevliet als revolutionair meer binnen de context van de wereldgeschiedenis te plaatsen en daarnaast om te onderzoeken op welke manier Sneevliet het communisme wist te verzoenen met de lokale omstandigheden in China. De zeer uitgebreide Chinese collectie bevat bijzonder veel aantekeningen en correspondentie met onder meer de kopstukken van de Komintern. Na de volledige openstelling van het archief is de grotendeels handgeschreven Chinese collectie begin jaren negentig door de Amerikaanse historicus Tony Saich ontcijferd en in een tweedelige bundel volledig verzameld.[9] Deze biedt een rijke inkijk in de ontwikkeling van Sneevliets ideeën en de problematiek waar hij mee worstelde.                       Het was Sneevliets grote persoonlijke ervaring met de sociale en koloniale problematiek die hem binnen de Komintern de nodige autoriteit verschafte en die zijn handelswijze in China zou beïnvloeden. Met name zijn periode vanaf 1913 in Nederlands-Indië zou een grote impact hebben op de ontwikkeling van zijn politieke ideeën. Alvorens zijn Chinese periode te bespreken, zal ik daarom eerst zijn levensloop beschrijven en de politieke denkbeelden die hij gaandeweg ontwikkelde. Hoe raakte iemand als Sneevliet beland in een ver en onbekend oord als China en in wat voor politieke toestand verkeerde China op dat moment? Hoewel China nooit volledig werd gekoloniseerd zoals in het geval van de meeste overige Aziatische naties, was er toch sprake van een behoorlijke imperialistische inmenging die vooral economisch van aard was. Ik zal laten zien wat voor grote impact deze inmenging had op de politieke en culturele ontwikkelingen in China.                                                                      Vervolgens beschrijf ik de Komintern als organisatie en hoe haar doeleinden zich verhielden tot de wereldpolitiek van dat moment. Welke rol speelde het revolutionaire Rusland binnen de Komintern? Welke rol vervulde Sneevliet binnen deze organisatie en op wat voor manier wist hij de zienswijze van de Komintern inzake koloniale kwesties te beïnvloeden? In het laatste hoofdstuk zal ik Sneevliets werkzaamheden in China onder de loep nemen. Hoe opereerde een agent van de Komintern met aan de ene kant de communisten in China en aan de andere kant de leiding van de Komintern die steeds meer onder invloed van Moskou kwam te staan? Hoe ontwikkelden Sneevliets ideeën over het verspreiden van de wereldrevolutie zich na zijn confrontatie met een complexe realiteit in een voor hem vreemd en onbekend land met zijn eigen culturen en tradities? 

  1. Sneevliet in Nederland en Indië

 Henk Sneevliet groeide op in een arm rooms milieu in ’s-Hertogenbosch onder de hoede van zijn liefdevolle tantes. Al op driejarige leeftijd verloor hij zijn moeder aan tuberculose. Zijn vader, eerst sigarenmaker en later gevangenisbeambte, was vaak weg van huis. Al vanaf jonge leeftijd getuigde de leergierige Sneevliet van een enorm doorzettingsvermogen waardoor hij op de HBS belandde. Dit was in die tijd vrij uitzonderlijk voor iemand van zijn afkomst. Het klassenverschil met de ander leerlingen was duidelijk voelbaar, wat Sneevliet tot een buitenstaander maakte en een zekere opstandigheid en geldingsdrang bij hem teweegbracht.[10]     In de verzuilde Nederlandse samenleving domineerde het katholicisme de leefwereld waarin Sneevliet opgegroeide. Direct na het verlaten van de HBS vond Sneevliet echter een nieuw geloof: het marxisme. Deze leer, gebaseerd op ‘wetenschappelijke’ theorieën en de alledaagse realiteit, verschafte Sneevliet meer houvast en zekerheid. Het communisme bood verlossing  in de ‘echte’ wereld waar de rijkdom zeer ongelijk was verdeeld, zowel in de Nederlandse samenleving als ook tussen het westen en de koloniale wereld. Zoals de christelijke missionarissen zou Sneevliet zijn leven volkomen in dienst stellen van een hoger ideaal: strijden voor de positie van de sociaal zwakkeren in binnen- en buitenland, hen bekeren tot het communisme en zo verlossen van kapitalistische uitbuiting.[11]                                     Sneevliet raakte in een totaal nieuwe leefwereld beland die zich kenmerkte door kameraadschap en een permanente strijd. In 1902 trad hij toe tot de in 1894 opgerichte Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) die was voortgekomen uit de anarchistisch ingestelde Sociaal-Democratische Bond van Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Sneevliet plaatste zichzelf hiermee buiten de conventionele maatschappelijke orde. De staat trad hardhandig op tegen socialisten, die grote moeite ondervonden om werk te vinden.[12] In 1904 ging Sneevliet aan de slag in Zwolle als stationsambtenaar. Meteen zocht hij contact met de nauwelijks ontwikkelde lokale arbeidersbeweging waar hij onder andermans naam een leidende politiek rol ging vervullen. Sneevliets huis werd een ontmoetingsplek voor socialisten die er politieke ideeën en actieplannen uitwisselden.[13]                                                                                                   Sneevliet  was voortdurend onderweg om congressen te bezoeken, stakingen te organiseren of menigtes toe te spreken, voortgestuwd door zijn tomeloze energie en zijn avontuurlijke natuur. Niet voor niets stond Sneevliet ook wel bekend als ‘de zwerver’. Zijn levenswijze viel lastig te verenigen met een ‘normaal’ gezinsleven. Zijn eerste huwelijk met Geertruida Visser zou slechts twee jaar standhouden. Een jaar later in 1909 hertrouwde Sneevliet alweer met Betsy Brouwer met wie Sneevliet veel meer een intellectuele band had. Zij zou hem, samen hun twee zonen Pim en Pam, naar Nederlands-Indië vergezellen, waar zij achterbleven toen Sneevliet naar China vertrok. Sneevliet zou ook een onbekende blijven voor zijn dochter uit zijn korte derde huwelijk met Sima Zolkowskaja, een onstuimige communiste uit de Sovjet-Unie.[14] In 1931 zou Sneevliet voor de vierde keer trouwen met Wilhelmina Draaijer. Voor een beroepsrevolutionair als Sneevliet kwamen vrouw of kinderen pas op de tweede plek.                                                                                                                                 Halverwege zijn leven had Sneevliet er al een volledig arbeidsleven opzitten als politicus, vakbondsleider en propagandist. In 1907 was hij zelfs al gemeenteraadslid in Zwolle geworden, voordat hij het actief stemrecht bezat.[15] Sneevliet bezat een aantal eigenschappen dat ook buiten Nederland goed van pas zou komen. Zo toonde hij zich een harde werker met een enorm doorzettingsvermogen, een talentvolle organisator en een begenadigd spreker die zijn toehoorders wist te vermaken met redevoeringen die met humor waren doorspekt.[16]Sneevliet was een autodidact die zichzelf vooral in de praktijk had geschoold door het organiseren van politieke acties. Volgens zijn biograaf Tichelman was Sneevliet meer een man van de actie en van snelle, tastbare resultaten dan van grondige analyses.[17]                                 De eigenzinnige Sneevliet wilde nog wel eens zijn eigen koers varen. Zo verzette Sneevliet zich tegen het besluit van de SDAP om syndicalistische en niet-georganiseerde stakers niet in hun strijd te ondersteunen. De reformatorisch ingestelde SDAP verkoos een parlementaire en geweldloze route naar de revolutie en beschouwde het kiesrecht als het wapen in de strijd.[18] Prominente marxisten als Roland Holst, Pannekoek en Gorter, met wie Sneevliet op goede voet zou komen te staan, vonden ook dat de SDAP de socialistische idealen teveel opofferde aan opportunistische electorale doeleinden. Zij prefereerden een kleine, maar ideologisch zuivere beweging die vasthield aan de revolutionaire principes. Dit betekende een oriëntatie op de klassenbewuste industriearbeider en volledige steun aan stakingsacties, dit laatste in tegenstelling tot de SDAP die zich ook op de talrijkere agrarische en confessionele arbeiders richtte.                                                                                                                             Het waren de jongere, radicale marxisten Wijnkoop en Van Ravesteyn, verenigd in het oppositionele blad de Tribune’, die besloten om zich in 1909 daadwerkelijk af te splitsen en de Sociaal-Democratische Partij (SDP) op te richten, uiteindelijk ook gevolgd door Pannekoek en Gorter. Na Bulgarije en Rusland vond in Nederland het derde schisma plaats binnen de sociaaldemocratie.[19] Ook Sneevliet sloot zich drie jaar later aan bij de SDP, de voorloper van de Communistische Partij Holland (CPH), dit tegen het zere been van de leider van de SDAP Jelle Troelstra. Sneevliet vond echter dat zijn nieuwe partij zich teveel opstelde als een sektarische voorhoedepartij, vooral gericht op het bestrijden van de SDAP. De SDP speelde politiek nauwelijks enige rol van betekenis en was alleen echt populair onder de arbeiders in een aantal industriële gebieden.                                                                                                                              Sneevliet was geen voorstander van een kleine intellectueel georiënteerde voorhoedepartij die zich op ideologische zuiverheid kon beroepen. Hij pleitte juist voor een breed en pragmatisch verbond tussen politiek en de niet-revolutionaire vakbonden waar de proletarische massa zich in grote mate bevond. Daarom probeerde hij een brug te slaan tussen de revolutionaire vakbond NAS en de reformistische vakbond NVV die meer populariteit genoot. Omdat de politieke leiders van de SDP zoals Wijnkoop en Van Ravesteyn hierop tegen waren, zagen deze voor Sneevliet geen leidinggevende rol weggelegd.[20] Sneevliet, die in Nederland tussen de wal en het schip dreigde te geraken, besloot daarom zijn werkterrein naar Nederlands-Indië te verleggen.    

 

Sneevliet in Indië

Sneevliet was nauwelijks op de hoogte van de sociale en politieke verhoudingen in Indië, dat hij voornamelijk kende uit de Max Havelaar van Multatuli. Zijn nieuwe werkterrein, waar vanwege de aanwezigheid van een flinke Chinese minderheidsgroepering de Chinese revolutie van 1911 niet onopgemerkt was gebleven, bood op dat moment meer revolutionair perspectief dan zijn moederland.[21] In de Indische Archipel ontbrak het echter nog aan de politieke infrastructuur om voldoende revolutionair elan bij de Indische bevolking op te kunnen wekken.                                                                                                                                       Aan Sneevliet de taak om een moderne en centraal geleide vakbondsorganisatie op te zetten. Hier konden arbeiders zich niet alleen verenigen, maar dienden zij zich ook te conformeren aan eenvoudige regels zoals het respecteren van de vertrouwelijkheid van vergaderingen of het betalen van contributie.[22] Zijn werkzaamheden in Indië als organisator, redacteur en propagandist waren Sneevliet op het lijf geschreven. Inmiddels was hij van mening dat politieke en economische strijd steeds meer samenvielen, waardoor de functies van vakbonden en politieke partijen noodzakelijkerwijs vermengd raakten. In plaats van het ‘parlementair wegmoffelen van sociale conflicten’ dienden politieke partijen van arbeiders revolutionaire strijders te maken.[23]                                                                                                         Sneevliet werd in mei 1914 medeoprichter van de eerste socialistische partij in Indië, de ISDV. In Indië was het niet zozeer het kapitalisme, maar vooral de koloniale machtsverhoudingen die de economische ongelijkheid in de hand werkten. De blanke koloniale elite bekleedde in grote mate de belangrijke posities in de samenleving.[24] Bij afwezigheid van een inheemse bourgeoisie was de klassenstrijd in Indië een strijd tegen het vreemde kapitalisme met de koloniale overheerser, de zaakwaarnemer van de kapitalistische belangen, als vijand.[25] De ‘strijd tegen de kapitalistische uitbuiting’ was volgens Sneevliet ‘tegelijkertijd de strijd voor nationale bevrijding’.[26] De koppeling van uitbuiting en sociale misstanden aan de koloniale overheersing zou een grote impact hebben op de politieke ideeën van Sneevliet.                                                                                                                                  Ondanks het feit dat Sneevliet relatief succesvol was in het bekeren van Indische arbeiders tot revolutionaire marxisten, was hij niet in staat andere lagen van de samenleving aan te spreken. Sneevliet meende dat alleen de volksmassa in staat zou zijn om met socialistische acties de strijd met het kolonialisme aan te gaan. Het propagandistisch inspelen op het toenemende nationalisme zou Sneevliet beter in staat stellen deze volksmassa en niet alleen arbeiders te bereiken.[27] Sneevliet zocht een verbond tussen Indische socialisten en nationalistische krachten, eerst tevergeefs met de Nationale Indische Partij en daarna met de zwak georganiseerde islamitische massabeweging de Sarekat Islam. Sneevliet toonde zich  opnieuw een pragmaticus, aangezien hij in eerste instantie sceptisch was ten aanzien van het Indische nationalisme dat maar af zou leiden van de klassenstrijd.[28]                                           Er ontstond een sterkere socialistische oriëntatie bij de Sarekat Islam die ook radicalere standpunten in begon te nemen tegenover het koloniale bestuur. In plaats van slechts zelfbestuur eiste de SI na Sneevliets betrokkenheid niets minder dan onafhankelijkheid, die door middel van een gewelddadige strijd afgedwongen moest worden.[29] De toenemende populariteit van de ISDV leidde tot ideologische tweespalt tussen Sneevliet en Dolf Baars, voorzitter van het hoofdbestuur van de ISDV. In plaats van een massapartij pleitte Baars voor een kleine, intellectueel georiënteerde organisatie zonder de massale toestroom uit de SI, wier leden niet bekend genoeg waren met de socialistische principes.[30]                                                     De Russische Februarirevolutie van 1917 verhoogde Sneevliets geloof in de wereldrevolutie. Zijn hybris valt af te lezen uit zijn artikel ‘Zegepraal’ , waarin Sneevliet aankondigde dat, nu ‘de vrijheidsklokken overal luiden’, de massa’s spoedig zouden samenstromen om de ‘rode vaan van de opstand’ te planten. Sneevliet meende dat deze revolutie ook voor het behoeftige Indische volk de nodige lessen bevatte. De Russische bevolking was net zozeer arm, grotendeels analfabeet en eeuwenlang onderdrukt, maar alleen door een onafgebroken moedige strijd wist zij haar eigen lot ter hand te nemen.[31]                            Met zijn militante taal werd Sneevliet voor de koloniale machthebbers een doorn in het oog. In 1918 klaagden zij Sneevliet naar aanleiding van zijn artikel aan wegens het zaaien van haat, al werd hij na een beroemd geworden negen uur durende verdedigingsrede vrijgesproken. Niet socialistische propagandisten, maar het kapitaal met diens uitbuiting was volgens Sneevliet verantwoordelijk voor mogelijke uitbarstingen van volkswoede gericht tegen het bewind. Sneevliet citeerde het Communistisch Manifest toen hij stelde dat het kapitalisme niet alleen zijn eigen ondergang maar ook zijn eigen doodgravers zou kweken. Volgens Sneevliet probeerde het imperialisme met een ‘volksvriendelijk masker’ en leuzen als zelfbestuur te verhullen dat zijn macht berustte op de uitbuiting van vreemde volkeren. Het was de taak van het socialisme om de ethiek van de koloniale overheersing te bestrijden met alle kracht die het gegeven is.[32]                                                                                                  Door zijn pijlen op het koloniale bestel te richten wist Sneevliet zijn populariteit bij de Indische bevolking flink te vergroten.[33] Toen Sneevliet zijn propaganda ook op soldaten van het Indische leger ging richten, omdat zij zich als willoze en laffe werktuigen lieten gebruiken door de macht ten koste van de weerlozen,[34]vormde dit voor het koloniale bewind aanleiding om Sneevliet in januari 1919 op de boot terug naar Nederland te zetten.

 

Terug in Nederland

Al langer was Sneevliet van plan om huiswaarts te keren, aangezien hij vermoeid was geraakt door het harde werken, het zware klimaat en de vele stevige persoonlijke aanvallen in de pers.[35] Desondanks had zijn tijd in de koloniën zijn ervaring en status als revolutionair flink verhoogd. Sneevliets inspanningen zouden ruim een jaar na zijn vertrek leiden tot de oprichting van de PKI, de eerste Aziatische communistische partij die zich aansloot bij de Komintern op een moment dat op vele plekken elders in Azië het communisme nog nauwelijks voet aan de grond had gekregen. Het was in Indië dat Sneevliet definitief afstand nam van de sociaaldemocratie en dat hij besloot het revolutionaire spoor van Lenin en Trotski te volgen.[36]             In Nederland zag het driemanschap dat leiding gaf aan de CPH – Wijnkoop, Ceton en Van Ravesteyn -Sneevliet als een bedreiging vanwege zijn populariteit en zijn verdiensten in Indië.[37] Zij konden zich niet vinden in zijn huns inziens opportunistische beleid ten aanzien van de nationalistische beweging. In plaats van een politieke leidersrol kreeg Sneevliet de mogelijkheid om zich te bemoeien met de grote zeelieden- en transportstaking in februari en maart 1920.[38]                                                                                                                                   Sneevliets ervaringen met deze massastakingen sloten goed aan op de nieuwe koers binnen de Komintern. Zij had een omtrekkende beweging gemaakt, nadat zij eerst met de sociaaldemocratie gebroken had vanwege haar betrokkenheid bij de Eerste Wereldoorlog. Om de massa naar de revolutie te voeren, diende deze te worden opgezocht waar deze zich bevond: de reformatorische massavakbeweging. De linksradicale koers van Nederlandse communisten als Pannekoek was in Moskou niet langer bon ton. [39]                                         Het revolutionaire klimaat dat in 1919 kortstondig rondwaarde, was een jaar later alweer op zijn retour. De links georiënteerde vakbonden NAS en NVV zagen hun ledenaantallen teruglopen en ontbeerden de noodzakelijke steun van de katholieke, christelijke en neutrale vakbonden. De leiding van de NVV durfde het niet aan de staking uit te breiden naar andere bedrijfstakken. De gematigde sociaaldemocraten konden zich niet vinden in de revolutionaire wens om de grondslag van de kapitalistische maatschappij om te wentelen, niet langs democratische weg, maar door middel van ‘directe acties’ zoals stakingen. Daarnaast waren er artikelen in de kranten verschenen, die Sneevliet van een geheime bolsjewistische agenda beschuldigden, omdat deze had deelgenomen aan een conferentie in Amsterdam van het West-Europese bureau van de Komintern.[40]                                                    Kortom, de Nederlandse arbeidsbeweging was in 1920 bezig haar wonden te likken; de kansen op een revolutie lagen elders in de wereld. Sneevliet besloot naar Petrograd en Moskou af te reizen om in juli en augustus 1920 namens de Indische communisten deel te nemen aan het Tweede Komintern Congres. Door zijn werkzaamheden in Indië was Sneevliet bij de leiding van de Komintern, en met name Lenin, in het vizier gekomen. Hier zou besloten worden welke tactiek in Azië tot de revolutie zou kunnen leiden. In Indië was mede door Sneevliet al een flinke stap richting de revolutie gezet. Hoe zat dit met China? Welke politieke ontwikkelingen waren daar gaande? 

  1. China verzeild in een politiek en ideologisch vacuüm

 Met de revolutie van 1911, het gevolg van diverse opstanden tegen het centrale gezag, was in China een einde gekomen aan een lange reeks van keizerlijke dynastieën. Waar de bolsjewieken met de Oktoberrevolutie een totaal nieuwe sociale marxistische orde stichtten, bleven de sociale verhoudingen in China nagenoeg ongewijzigd. Vanwege het ontbreken van communistische inmengingen zou Mao Zedong de revolutie van 1911 later dan ook als een miskraam bestempelen.[41]                                                                                                                   Het revolutionaire ongenoegen had zich ook gericht tegen deimperialistische inmengingen waaronder China vanaf het midden van de negentiende eeuw, steeds meer gebukt was gegaan. Ook na de revolutie bleef er sprake van een semi-koloniale inmenging zonder een direct imperialistisch gezag zoals in Indië. Vanwege de politieke verbrokkeling konden buitenlandse machten hun invloed in China behouden door de diverse krijgsheren tegen elkaar uit te spelen. Ongelijke economische machtsverhouding leidden tot voor China nadelige handelsconcessies.                                                                                                             Niet alleen Rusland, Groot-Brittannië en Frankrijk, maar ook nieuwe imperialistische machten zoals de Verenigde Staten en Japan hadden hun blik op China gericht. Vooral Japan, dat veel eerder dan China al vanaf 1868 onder de Meijiperiode begonnen was modernisering na te streven, was uit op territoriaal gewin. Het postrevolutionaire China, dat zichzelf en diens beschaving eeuwenlang had beschouwd als het centrum van de wereld, verzandde in een politieke chaos.

 

Kolonialisme in China

Tot aan de negentiende eeuw en het ontstaan van de Great Divide had het dynastieke China tenminste gelijke tred gehouden met het westen. De enige imperiale macht waar de Mantsjoedynastie echt mee van doen had, het tsaristisch Rusland, opereerde behoedzaam ten opzichte van het veel machtigere Rijk van het Midden. Vanaf de late zeventiende eeuw tot aan halverwege de negentiende eeuw wisten beide rijken elkaar te ontlopen.[42]                           Deze situatie begon te kantelen rond het midden van de negentiende eeuw, toen westerse koloniale machten steeds meer de Chinese soevereiniteit aantastten. Voor China was dit een volstrekt nieuwe ervaring. Tijdens de Eerste Opiumoorlog, durend van 1839 tot 1842, hanteerden de Britten nieuwe vormen van oorlogsvoering. Zij gingen niet over tot kolonisering, maar dwongen de Chinezen hun havens in het zuidelijke kustgebied open te stellen voor de handel. Door het ontstaan van buitenlandse enclaves, zoals de in 1849 ontstane Franse enclave in Shanghai, kwamen Chinezen opeens veel meer in aanraking met vreemde invloeden.[43]                                                                                                                                 Tijdens de Tweede Opiumoorlog, eindigend in 1858 met het verdrag van Tianjin, gingen ook Rusland en de Verenigde Staten zich mengen in China. De westerse machten dwongen China zich verder open te stellen onder andere door ook missionarissen en diplomatieke vertegenwoordigingen te accepteren.[44] Het in Europa geïsoleerde Rusland van Alexander II richtte zich na de verloren Krimoorlog in 1856 op het hervormen van zijn empire en gebiedsuitbreidingen richting Centraal-Azië en de Stille Oceaan. Met de verdragen van Aigun en Beijing in 1858 en 1860 stond het als gevolg van de Opium-oorlog verzwakte China grote gebiedsdelen af.[45]                                                                                                            De vernietigende Taiping-opstand, durend van 1850 tot 1864 met naar schatting maar liefst 20 miljoen doden, zorgde ervoor dat lokale elites hun politieke macht verder uitbouwden. Tot dan toe had China veel meer een eenheid gevormd dan bijvoorbeeld het pluriforme India dat hierdoor eenvoudiger viel te koloniseren. Voorstanders van politieke hervormingen betoogden een aanpassing van de eeuwenoude, statische Chinese cultuur. Het westen vervulde een voorbeeldfunctie,  zowel vanwege zijn militaire slagkracht, als ook vanwege zijn liberale instituties. Alleen wanneer de geestestoestand zich zou aanpassen aan het westen, kon in China een nieuwe politieke cultuur evolueren.[46]                                         In China groeide het besef dat het Rijk van het Midden niet langer het centrum van de wereld vormde. De relatie met het buitenland was toe aan een herevaluatie. Buitenlandse volkeren, waarmee handel werd gedreven, waren niet langer inferieur en daardoor tribuutplichtig. Ook sommeerde de staat diplomaten om zich vreemde talen eigen te maken. Er vonden echter nog geen sociale of politieke hervormingen plaats. Het traditionele onderwijscurriculum, gebaseerd op de leer van Confucius, bleef centraal staan. De zogenaamde Tongzhirestauratie durend van 1861 tot 1875 richtte zich in plaats van op ideologische vooral op militaire vernieuwingen met als doel de orde in China en de landsverdediging te herstellen. Het gezag was te zeer conservatief ingesteld en bang voor vernieuwingen om mee te gaan met stromingen die zelfversterking nastreefden door westerse technologieën over te nemen. Hierdoor waren de effecten van de genomen maatregelen slechts van tijdelijke aard.[47]                 Het centrale gezag hield vooral stand omdat de koloniale machten dit toestonden. Het tsaristische Rusland, in Centraal-Azië met Groot-Brittannië verwikkeld in de Great Game, stelde zich aanvankelijk nog behoedzaam op ten aanzien van China. Volgens het verdrag van Sint Petersburg in 1881 gaf Rusland Chinese gebiedsdelen terug, die het in Xinjiang had veroverd nadat Rusland daar een lokale islamitische opstand tegen de Mantsjoeheerschappij had bedwongen.[48] Japan, een nieuwe koloniale speler, vreesde dat een opdeling van China ten zuiden van de Grote Muur vooral het westen zou bevoordelen. Op hun beurt waren de westerse machten waaronder Rusland voor een zwak centraal gezag, zodat zij zelf met lokale machthebbers zo gunstig mogelijke deals konden sluiten. Westerse handelaren vreesden juist dat het ontbreken van iedere vorm van centraal gezag een vernietigende machtsstrijd zou kunnen ontlokken met negatieve gevolgen voor de handel.[49]                                                      Terwijl het verenigde Duitsland uit was op de status van koloniale macht en territoriale concessies verlangde, gaf de Verenigde Staten de voorkeur aan de zogenaamde Open Deurpolitiek. Vrijhandel in plaats van een koloniale opdeling vormde het uitgangspunt hiervan. Ten dele kwam dit door het anti-imperialistische zelfbeeld van de Amerikaanse natie die zichzelf van het Britse juk had bevrijd. Er speelden echter ook minder idealistische overwegingen mee, aangezien de Verenigde Staten al een flinke achterstand had op diezelfde Britten.[50]                                                                                                                                 Vooral de vernederende militaire nederlaag in 1895 tegen Japan bracht een enorme shock teweeg. Dit vormde een keerpunt in de zoektocht naar een politiek-culturele transformatie. Chinese elites beschouwden de Japanners in culturele zin als een inferieur volk ondanks hun economische voorsprong. Nu was China niet alleen door het westen, maar zelfs door zijn kleine Aziatische broer definitief voorbijgestreefd.[51] Het eisenpakket van Japan leidde tot protesten van studenten die vervolgens sociale en politieke hervormingen eisten. Met de komst van nieuwe technologieën zoals de telegraaf, een ontluikende pers die dichter op het nieuws zat en een toename van het alfabetisme buiten de hogere klassen ontstond er een nationale publieke opinie. Deze richtte zich ook op buitenlandse thema’s en zorgde voor een maatschappelijke druk van onderop op het politieke bestel.[52]                                               Rond 1900 kwamen nationalistische gevoelens massaal tot uiting toen van het platteland afkomstige opstandelingen, in het westen aangeduid als Boksers, zich wilden wreken voor de onrechtvaardige behandeling die China ten deel was gevallen. Zij richtten hun woede op de buitenlandse elementen die op hun pad kwamen zoals christenen. Het was ironisch dat juist het onderwijs van de buitenlandse missie, met name in de kustgebieden, voor meer nationale bewustwording had gezorgd.                                                                           Vervolgens richtte de onvrede zich ook tegen de van Mongoolse oorsprong zijnde Mantsjoedynastie die immers geen bescherming bood tegen de imperialistische inmengingen. Er ontstond een nationalisme dat leunde op de dominante Han-Chinese cultuur in plaats van op het multiraciale imperium van de Mantsjoes. Vanwege de afnemende solidariteit met het centrale gezag was de Mantsjoedynastie steeds minder in staat het etnisch verdeelde China bijeen te houden.[53]                                                                                                                             De gewelddadigheden maakten China tot een pariastaat ten opzichte van het koloniale systeem dat ook op andere plekken zoals in Sudan en Afghanistan verzet opriep. Een brede internationale troepenmacht, waaraan ook Rusland deelnam, nam op harde wijze wraak en dwong flinke herstelbetalingen af.[54] Rusland stelde zich bewust veel gematigder op door het internationale recht in acht te nemen. Het wilde de Chinese bevolking niet onnodig tegen zich in het harnas jagen. Anders dan het gewelddadig opererende wilhelminische Duitsland droeg Rusland zijn soldaten op om onnodig bloedvergieten te vermijden.[55] In 1895 besloot Rusland nog om Japanse expansie in China een halt toe te roepen, de opmaat naar de voor Rusland desastreus verlopen oorlog met Japan in 1905. Toen Rusland zelf in 1897 besloot om het door Japan afgestane Port Arthur in eigen bezit te nemen, was het ook gedaan met de vriendschappelijke betrekkingen tussen China en Rusland.[56]                                                          Na de Scramble for Africa was China, de zieke man van Azië, verworden tot een speelbal van de koloniale machten. Dit gold met name voor Japan en Rusland, beide niet actief in Afrika, die in 1907 met de Agreement on General Political Questions publiekelijk weliswaar de territoriale integriteit van China respecteerden, maar in het geheim Mantsjoerije en Mongolië onderling  verdeelden in invloedsgebieden. Dit had een veel groter effect op de nationalistische gevoelens in China dan de Europese concessies aan de kust, aangezien Chinezen deze als tijdelijk hadden beschouwd.[57]                                                                                Japan had in deze fase van politieke transities in meerdere opzichten een veel grotere invloed in China dan de overige koloniale machten. Diverse Chinese oppositionele stromingen ontvingen steun uit Japan of waren in Tokio gevestigd. De aanhangers van de constitutionele stroming zagen het Japanse politieke systeem als een voorbeeld, terwijl de nationalisten, en ook Sun Yat-sen, Japan bewonderden vanwege zijn economische en militaire kracht.[58]               Met de Honderd Dagen van Hervorming had de onervaren keizer Guangxu al in 1889 toegegeven aan de roep om moderniseringen in de publieke opinie. De keizerin-regentes Cixi, die de belangen behartigde van deze conservatieve elites, zou deze echter al snel terugdraaien. Overige latere vernieuwingen, zoals die van het onderwijssysteem, die aan de basis stonden van de constitutionele hervormingen van 1911, kwamen te laat en waren niet talrijk genoeg om de Mantsjoedynastie wezenlijk te hervormen.[59]                                                                              Toch is het te makkelijk om achteraf gezien, wetende dat in 1911 de revolutie uitbrak, te oordelen dat de Mantsjoedynastie op haar laatste benen liep. Het feit dat deze dynastie ondanks de buitenlandse aanvallen en binnenlandse rebellieën toch nog zo lang stand wist te houden, was ook een teken van haar slagkracht en behendigheid. Hierdoor ontbrak het besef dat China om te overleven genoodzaakt was om in te haken op internationale tendensen zoals industrialisering, verwetenschappelijking en democratisering. Haar weigering zich aan te passen aan de eisen van de moderne tijd bezegelde de ondergang van deze laatste Chinese dynastie.[60]           

 

Op zoek naar een ideologisch bindmiddel

De revolutie van 1911 maakte deel uit van een transnationale golf van revoluties in onder meer Rusland, Perzië en het Ottomaanse Rijk. Ook de overwinning van Japan op het tsaristisch Rusland in 1905, een antikoloniale overwinning van het oosten op het westen, had een enorme uitwerking op de revolutionaire aspiraties in Azië. Sun Yat-sen beschreef hoe deze overwinning de Aziatische naties vertrouwen schonk om in de nabije toekomst het succes van Japan te doen navolgen.[61]                                                                                                                                      Sun vormde de informele leidersfiguur van de revolutie van 1911, ook al bevond hij zich destijds in de Verenigde Staten. Vlug spoedde hij zich huiswaarts om, tijdelijk, president van de nieuwe republiek te worden. Voorheen waren de keizer-dynastieën het bindende element geweest dat van China een eenheid had gemaakt. Nu was er een natiestaat ontstaan, maar het was nog niet duidelijk welke gemeenschappelijke cultuur, religie of ideologie deze zou vormgeven en wat voor politiek systeem de dynastieke macht zou vervangen.                            Voorlopig verkeerde China in een politiek zeer instabiele fase, waarbij tal van krijgsheren elkaars macht en die van de staat betwistten. De militair Yuan Shikai, de opvolger van Sun als president, begon zich steeds meer te ontpoppen als een dictator door het parlementaire stelsel te ondermijnen en het oude imperiale systeem zoveel mogelijk te herstellen. In plaats van politieke of sociale hervormingen na te streven, richtte Yuan zich op het behoud van zijn macht.[62]                                                                                                                     Het tijdperk dat volgde op Yuans overlijden in 1916 was er een van nog meer bloederige conflicten en politieke fragmentatie. Op zich was er in China altijd al sprake geweest van behoorlijke regionale verschillen op het gebied van bijvoorbeeld taal, etniciteit of cultuur. Door het wegvallen van één centrale autoriteit kreeg dit traditionele regionalisme veel meer een politiek karakter, hetgeen een opdeling van China vergemakkelijkte. Politieke groeperingen zonder militaire macht raakten afgesloten van het politieke proces.[63]                      Japan bestempelde China tot een gebied dat onder speciale Japanse invloed zou moeten komen te staan. Met zijn 21 Eisen, een grote inbreuk op de Chinese soevereiniteit, overspeelde Japan zijn diplomatieke hand. Het leidde tot hevige protesten van Chinese studenten en een boycot van Japanse producten. De onvrede richtte zich ook op Sun Yat-sen die het op een akkoordje had willen gooien met de Japanners. De Japanse agressie vormde een belangrijke reden voor China om deel te nemen aan de Eerste Wereldoorlog, zodat het westen China de controle over zijn verloren gegane gebieden zou teruggeven. China hoopte na de oorlog aan te mogen schuiven aan de onderhandelingstafel. Duizenden Chinezen vulden de plekken op die in zowel Europa als Rusland als gevolg van de oorlog waren ontstaan op de arbeidsmarkt.[64]                                                                                                                           De grotere vervlechting met het westen zorgde voor een toenemende diversificatie aan politieke stromingen. Chinezen keerden na de oorlog huiswaarts voorzien van nieuwe kennis en ideeën. Het lag totaal niet voor de hand dat juist het communisme voet aan de grond zou krijgen. Ook na de Russische revolutie van 1917 was deze leer vrij onbekend, terwijl het anarchisme veel populairder was. Chinese radicalen zagen de Russische revolutie als een uitvloeisel van een golf van opstanden die uitbraken tijdens de Eerste Wereldoorlog. Ze zagen niet in dat deze Russische revolutie tot doel had om een nieuw economisch bestel te vestigen. Betrouwbare informatie drong in China nauwelijks door en de krijgsheren, gekanteld tegen de revolutie, deden hun best de bolsjewieken af te schilderen als radicalen. Chinese revolutionairen wisten ook nauwelijks wie de leiders van de revolutie waren en waarvoor zij precies stonden.[65]                                                                                                                                    Sun, uit de macht verdreven door Yuan, was met zijn verboden politieke beweging de KMT uitgeweken naar de zuidelijke regio Kanton. De KMT vormde de enige politiek partij met zowel revolutionaire potentie als enige militaire macht, al was deze vooralsnog te zwak om een gooi te kunnen doen naar een centrale machtspositie en China politiek te vernieuwen. Sun zag de heropleving van de autoritaire politieke traditie als een uitvloeisel van de Chinese culturele achterlijkheid ten opzichte van het westen. Het overlijden van Yuan zorgde ervoor dat een aantal politieke dissidenten terugkeerde naar China en zo bij kon dragen aan een revitalisering van het intellectuele debat. Nieuwe aanzetten van studenten vertaalden zich in de zogenaamde Nieuwe Culturele Beweging die een aanval deed op de oude Chinese culturele tradities.[66] Het was de vraag wat hiervoor in de plaats zou moeten komen.                                    De KMT en de bolsjewieken leken ideologisch verwijderd van elkaar. De eerste propageerde de ‘drie principes van het volk’: nationalisme, democratie en volkswelzijn. Nationalisme en democratie stonden op gespannen voet met de internationalistische oriëntatie van het marxisme-leninisme en het autocratische bolsjewistische regime, al bleek de KMT in de praktijk ook niet echt democratisch te opereren. De door Sun gewenste sociale hervormingen liepen meer parallel met de Europese sociaal-democratie.[67] Daarnaast was Sun zowel door zijn uiterlijke voorkomen als door zijn intellectuele scholing georiënteerd op het westen waar hij geneeskunde had gestudeerd.[68] Sun verwonderde zich over het feit dat de jeugd wijsheid zocht bij het marxisme. Immers, de grondgedachten van deze leer waren al bij de Chinese klassieken te vinden.[69]                                                                                                         Bovenal wilde Sun van zijn KMT een hechte organisatie smeden en een zo breed mogelijke steun onder de bevolking verwerven. Hiervan was bij de prille Chinese communistische beweging nauwelijks enige sprake. Chinese communisten van het eerste uur zoals Li Dazhao wilden de oude Chinese cultuur slechts aanpassen, aangezien socialistische waarden als solidariteit en zelfopoffering aansloten op de waarden van het Confucianisme. Li representeerde een populistische en radicalere stroming, waar ook Mao tot ging behoren, die geloofde dat transformatie van de samenleving vanuit het volk zou moeten komen. Chen Duxiu behoorde tot een andere stroming die een nieuwe cultuur wilde scheppen op basis van de westerse wetenschap en ideeën. Chen vond dat Chinese jongeren zich te passief en onderdanig opstelden, in plaats van zich op een agressievere manier politiek te engageren. Het communisme liet zich lastig inbedden aangezien marxistische begrippen, zoals die van de klassenstrijd, soms lastig vertaalbaar bleken naar een Chinese context. De behoefte aan vernieuwende buitenlandse ideeën botste met de centrale plek die het Confucianisme bleef innemen binnen het Chinese denken.[70] Toch vormde de Chinese cultuur een minder grote sta-in-de-weg bij de inbedding van het communisme dan in andere Aziatische landen zoals India met waar het kastensysteem een egalitaire politiek in de weg stond.                                     Vooralsnog belichaamde niet Lenin, maar Wilson na afloop van de Eerste Wereldoorlog in de Chinese publieke opinie de messiaanse figuur op het wereldtoneel. Anders dan de in de Russische burgeroorlog verwikkelde Lenin beschikte Wilson over de politieke macht om zelfdeterminatie voor China in de praktijk te brengen. Zelfs Li Dazhao, die meende dat de toekomstige macht juist lag bij revolutionaire figuren als Lenin, koppelde de zegetocht van het socialisme nog niet expliciet aan China’s politieke toekomst.[71] Twee jaar na de Russische revolutie bestond in China nog steeds een slecht begrip van het communisme en de sociaaleconomische oplossingen die het voorstond.[72] Dit veranderde enorm na het vredesverdrag van Versailles in 1919 waar Wilson de leiding nam en de bolsjewieken afwezig waren.

 

Teleurstelling in China na Versailles

In meerdere opzichten markeerde het jaar 1919 een overgangsfase binnen de moderne geschiedenis. Met het vredesverdrag van Versailles kwam er een officieel einde aan de Eerste Wereldoorlog die de ineenstorting van zowel het tsaristische, het Habsburgse en het Ottomaanse Rijk had bespoedigd. Ook deze voormalige rijken waren op zoek naar een nieuw ideologisch bindmiddel dat de basis van een nieuwe natiestaat zou kunnen vormen.                      Minder zichtbaar was de enorme teleurstelling die zich na Versailles verbreidde onder de bevolking van gekoloniseerde regio’s zoals Egypte, India, Korea of China. De geallieerde naties, met Woodrow Wilson als hun representant, hadden hun naties een rechtmatige ‘plek onder de zon’ onthouden, dat wil zeggen een gelijkwaardige plek binnen de nieuwe wereldorde en vrijwaring van imperialistische inmenging. Hoewel zelfdeterminatie steeds meer een leidraad was geworden voor de vormgeving van de internationale betrekkingen, bepaalde de raciale blik van zelfs grote tegenstanders van imperialisme, zoals Woodrow Wilson, welke volkeren al dan niet voldoende geciviliseerd waren om soevereiniteit te gelde te maken.[73]                                                                                                                                      Een jaar daarvoor had Wilson nog zijn befaamde ‘Veertien Punten’ geformuleerd die de basis moesten vormen van een wilsoniaanse wereldorde. Naast de oprichting van een Volkenbond vormde het recht op zelfdeterminatie een van de belangrijkste punten. Terwijl China zich in Versailles op morele principes beriep, maakte het militair machtigere Japan gebruik van het internationale recht, aangezien de soevereine regering in Beijing had ingestemd met Japanse overname van de Duitse concessie in Shandong. Volgens de Chinese afvaardiging behoorde de handelswijze van de Japanners tot een tijdperk uit het verleden, waarin imperialistische machten hun agressie ten aanzien van zwakkere staten legitimeerden met afgedwongen verdragen. Het waren de in verval geraakte imperialistische machten Groot-Brittannië en Frankrijk die Japan hun steun gaven.[74]                                                                Met name de opstelling van de Verenigde Staten bracht een enorme teleurstelling teweeg en leidde tot felle studentenprotesten, die bekend zouden komen te staan als de 4 mei-Beweging. Veel Chinese intellectuelen waaronder socialisten als Chen waren tot dan toe enthousiast over Woodrow Wilsons ideeën over een nieuwe wereldorde waarin het Confucionistische begrip Datong, een utopische opvatting van een universele vrede, tot uitdrukking zou komen.[75] Vanwege de grote discrepantie tussen de retoriek van het wilsonianisme en zijn politieke uitwerking traden alternatieve ideologieën, die ook modernisering en vooruitgang konden brengen, meer op de voorgrond.                            Omdat het leninisme zich sterk afzette tegen de oude gesloten imperialistische orde, won het enorm aan populariteit. Ook in andere delen van Azië, zoals Vietnam, vond een zogenaamde ‘transfer op hope’ plaats van Wilson naar Lenin.[76]  Het revolutionaire Rusland sprong daarop in en verkondigde dat alleen de Russische arbeiders en boeren en het Rode Leger China’s bondgenoten waren in de strijd tegen het imperialisme.[77]                                             Omdat het leninisme gold als de antikoloniale bevrijdingsideologie bij uitstek, verdrong het andere socialistische varianten zoals het anarchisme steeds meer naar de achtergrond. Chinese revolutionairen zagen het leninisme als een strijdmiddel dat de revolutie naderbij zou brengen en het imperialisme de doodsteek kon geven. In het voorjaar van 1920 waren de bolsjewieken immers in staat gebleken dezelfde buitenlandse imperialistische krachten die ook in China actief waren, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en Japan, buiten de deur te houden.                                                                                                                         Omdat militaire macht, en niet ideologie vooralsnog de politieke ontwikkelingen in China dicteerden, was het voor de Komintern geen eenvoudige taak om van het communisme een massabeweging te maken. Ook vanuit economisch perspectief gezien was de situatie niet voordelig. De industrie, voornamelijk in buitenlandse handen verkerend, verkeerde in een onderontwikkelde staat waardoor de voedingsbodem voor een proletarische omwenteling mogelijk ontbrak. Daarnaast stond het ontbreken van een deugdelijk communicatie- en transportnetwerk het bedrijven van een effectieve communistische propaganda behoorlijk in de weg.[78]                                                                                                                                   Als het communisme al verbreid kon worden, was het nog steeds de vraag welke elementen van het communisme de Chinezen zouden aanspreken en hoe het communisme zich zou gaan vermengen met lokale tradities. In ieder geval boden de antikoloniale sentimenten de Komintern perspectief. De perceptie van Wilsons ‘verraad’ van de gekoloniseerde volkeren vergemakkelijkte de propagandacampagne van de Komintern die in China vanaf april 1920 plaats zou gaan vinden. Het was de vraag hoe de Komintern gebruik zou maken van deze mogelijkheid om het communisme te verbinden aan de sterke antikolonialistische sentimenten en de roep om zelfdeterminatie in China. Welke revolutionaire ideeën leefden er binnen de Komintern aangaande het oosten en welke tactiek zou het uitgangspunt vormen van Sneevliets optreden in China? 

  1. De Komintern richting het oosten

De eerste twee jaren na de Russische revolutie was Rusland ondergedompeld in een gewelddadige burgeroorlog, waarbij het lang onzeker zou zijn of het Rode Leger onder leiding van Trotski de overwinning zou behalen. Net als China was Rusland niet alleen intern verdeeld, maar werd het ook van allerlei kanten bestookt door op papier militair superieure staten. Rusland was naarstig op zoek naar nieuwe bondgenoten en meende deze aan te treffen bij de (semi-)gekoloniseerde Aziatische naties.                                                                                De bolsjewieken waren zich goed bewust van de noodzaak om zich in deze tijden van opkomend antikolonialisme op te werpen als de ideologische tegenpool van het imperialisme. Aan de macht gekomen, namen zij dan ook nadrukkelijk afstand van het tsaristische imperialistische verleden. Een imago dat stoelde op anti-imperialisme zou ervoor zorgen dat deze naties zich eerder aan Moskou zouden verbinden. Al ten tijde van de Bokseropstand had Lenin gewaarschuwd dat wraakacties van het tsaristische leger zouden resulteren in een diepe haat van de Chinese bevolking die zich later tegen Rusland zou kunnen keren.[79]                                   Volgens Lenin kon de strijd tegen het imperialisme alleen dan gewonnen worden wanneer Aziatische naties hun recht op zelfdeterminatie te gelde zouden maken.[80] Het begrip zelfdeterminatie vormde geen eenduidig beginsel. Wilson verbond dit beginsel aan een internationale orde die stoelde op democratisch geregeerde natiestaten en niet op revolutionaire staten zoals het bolsjewistische Rusland. Wilson wilde het koloniale bestel slechts op een graduele wijze aanpassen in overeenstemming met de koloniale bondgenoten Groot-Brittannië en Frankrijk. Revoluties met als doel het koloniale bestel om te gooien vormden dan ook een bedreiging voor de Wilsoniaanse wereldorde.[81]In een tijd van opkomend nationalisme zag Lenin zelfdeterminatie juist als een revolutionair strijdmiddel gericht tegen het imperialistische bestel.                                                                                                                    Ten tijde van Versailles lag de focus van de communistische beweging nog op Europa en met name Duitsland waar de revolutie op het punt stond uit te breken. Lenin was een van de eerste communistische denkers die juist Azië voorstelde als een actieve en revolutionaire in plaats van louter passieve kracht, die in de toekomst een grote impact zou hebben op het lot van Europa en op de mondiale politieke verhoudingen. Rusland, gesymboliseerd door de tweekoppige adelaar met een blik op zowel het oosten als het westen, vervulde min of meer een brugfunctie tussen het ontwikkelde Europa en het achtergebleven Azië. Het was het half-Aziatische Rusland waar de westerse theorie van het marxisme voor het eerst in de praktijk werd gebracht.                                                                                                                       De Russische historicus Alexander Reznikov, in de late Sovjet-Unie de expert wat betreft de Komintern en haar beleid in Azië, meende dat hier sprake was van een ‘kwantumsprong’ binnen het socialistische denken. Dankzij Lenin was het anti-imperialisme niet langer slechts een strijd tegen koloniale uitbuiting en agressie, maar tevens een strategie om het kapitalistische wereldsysteem de doodsteek te geven. Lenin beschouwde het imperialisme als een onvermijdbaar hoogste stadium van het kapitalisme. De Aziatische volksmassa en het Europese proletariaat zouden de handen ineen moeten slaan om de wereldrevolutie tot stand te brengen.[82]                                                                         Volgens Lenin liep de Europese bourgeoisie na de Eerste Wereldoorlog op haar laatste benen en trachtte deze tevergeefs haar heerschappij in stand te houden ten koste van de in slavendom gehouden Aziatische volksmassa. Lenin bespeurde een sterk groeiende democratische beweging in Azië waar honderden miljoenen mensen op het punt stonden te ontwaken uit hun ketens. In Azië stond de bourgeoisie vooralsnog aan de goede kant van de streep doordat zij de kant van het volk koos tegen het imperialisme en de daarmee heulende krijgsheren.[83]                                                                                                                             Zowel over het belang van Azië als over de te voeren strategie liepen de meningen van communisten wereldwijd uiteen. Om de Aziatische volksmassa op te laten staan tegen het imperialisme was het bevorderlijk om in te spelen op nationalistische sentimenten. Hoe verhield deze tactiek zich tot de marxistische leer? Het nationalisme was immers een bourgeois ideologie; het proletariaat kende geen vaderland, maar diende te streven naar een utopische communistische gemeenschap die alle nationale culturen zou overstijgen.[84]          Zowel Lenin als Stalin zagen nationale bewustwording in het geval van feodale naties zoals die in de Aziatische periferie als een onvermijdbare progressieve historische fase die voorafging aan de kapitalistische en uiteindelijk socialistische fase. Nationalisme was alleen een gevaar in het geval van Europese naties die de feodale fase ontgroeid waren. Ook socialistische naties zoals Rusland dienden volgens Lenin te waken voor een zogenaamd ‘chauvinistisch’ nationalisme dat de niet-Russische volkeren zou kunnen gaan domineren. Zelfdeterminatie leidde echter niet altijd tot de voor Rusland gewenste uitkomsten. Er bestond het gevaar dat aan het proletariaat vijandige krachten de revolutie zouden kapen zoals in Finland waar contrarevolutionaire krachten in 1918 de macht hadden gegrepen ten koste van de Rode Garde. Bolsjewieken zouden de roep om zelfdeterminatie in gebieden onder hun controle, zoals Georgië, voortaan vanuit het perspectief van de mate van ontwikkeling van de sociaaleconomische klassen beschouwen, dit ter bescherming van de volksmassa ten opzichte van niet-revolutionaire krachten.[85] Zelfdeterminatie werd van een nationale of raciale kwestie nu ook een economische kwestie.                                                                                         Moest het proletariaat van China zich tijdelijk aan de sterkere bourgeois krachten verbinden? Lenin erkende dat tijdens zowel de Franse revolutie als de Russische revolutie van 1905 de bourgeoisie ook had gefungeerd als de aanstichter van revolutie.[86] Welke krachten in China golden als revolutionair dan wel bourgeois? Hoe kon het communisme de volksmassa bereiken? Vragen als deze kwamen bovendrijven, toen communisten met elkaar over de oosterse kwestie in debat gingen tijdens het Tweede Kominteen Congres.

 

De Komintern

De uit 1889 stammende Tweede Internationale vormde nog een tamelijk losse, autonome wereldfederatie van arbeiders, waarin zowel reformatorische als revolutionaire stromingen een plek hadden. Deze was in 1914 ten onder gegaan aan de tegenstelling tussen de internationalistische proletarische idealen en het opkomende nationalisme dat tijdens de Eerste Wereldoorlog tot uitbarsting kwam. Er ontstond een scheiding tussen radicale communisen en ‘opportunistische’ sociaal-democraten die met bourgeois krachten samenwerking zochten. Vanaf 1919 moest de Komintern fungeren als een gecentraliseerde en ondeelbare beweging die, aangestuurd vanuit Moskou, veel krachtiger kon optreden.[87]                   Net als binnen de bolsjewistische partij gold het principe van democratisch centralisme: ‘vrijheid’ van debat, vervolgens eenheid in actie. De minderheid diende zich te schikken naar de meerderheid en besluiten van hogerhand waren bindend voor alle lagere echelons. Communistische partijen die wilden toetreden tot de Komintern dienden de zogenaamde 21 voorwaarden, in juli 1920 opgetekend door Lenin, volledig te onderschrijven. Zij dienden zich te zuiveren van niet-radicale en bourgeois elementen, zowel legale als illegale acties te ondernemen, systematische propaganda en agitatie te bedrijven, bereid te zijn het kapitalistische bestel met geweld te willen omgooien en zich broederlijk verbonden te voelen met de onderdrukten in de gekoloniseerde wereld.[88]                                                                      Toch was de eenheid soms ver te zoeken. De meest recente literatuur over de Komintern spitst zich vaak toe op het spanningsveld tussen nationale bewegingen en de Komintern. Echter, ondanks een toenemende bolsjewistisch inmenging vormde de Komintern geen coherente organisatie met een eenduidig beleid. Afgezien van de discussies tijdens het Congres, bestonden er ook binnen de bolsjewieken verschillende richtingenstromen. De linkerflank, later gepresenteerd door Trotski met Stalin als zijn tegenhanger, was meer idealistisch georiënteerd op het verspreiden van de wereldrevolutie.                          Vanwege de gecentraliseerde bestuursvorm was er ook niet echt sprake van een internationalistische organisatie. Bolsjewieken van het eerste uur zoals Zinoviev en Boecharin bekleedden leidersposities in het uit vijf leden bestaande Uitvoerend Comité (EKKI) dat met het dagelijkse bestuur was belast en veel meer invloed had dan het Congres dat sporadisch bijeenkwam. De grote bolsjewistische invloed was niet vreemd gezien de afhankelijkheid van de militaire macht van het revolutionaire Rusland. De wereldwijde aantrekkingskracht van de Oktoberrevolutie was met name gelegen in het vooruitzicht dat het bolsjewistische Rusland deze revolutie zou kunnen exporteren.[89]                                                                                         Vooralsnog had Rusland de handen vol aan de burgeroorlog en was het vrijwel afgesloten van de buitenwereld. De Nederlandse regering had alle banden met het bolsjewistische bewind verbroken. Hierdoor was het voor de CPH niet mogelijk om een afgevaardigde naar Moskou te sturen. Deze partij had zich ondanks onenigheid over de vrede van Brest-Litovsk verbonden aan de Komintern.[90]                                                                                 Tijdens het eerste congres lag de oriëntatie nog vrijwel volledig op het westen in plaats van op de koloniale periferie. Van de 34 gedelegeerden kwamen er maar vier van buiten Rusland waaronder een uit China, Liu Shao-chou, die een Chinese vakbond vertegenwoordigde, maar niet in verbinding stond met zijn marxistische landgenoten.[91] Nadat de revolutionaire stemming in Europa snel was weggeëbd, nam de aandacht binnen de Komintern voor het oosten enorm toe.

Het Tweede Komintern Congres

Even leek in 1919 het kapitalistische bestel in Europa te wankelen met stakingen in Groot-Brittannië, opstanden in Ierland en de Spartacusopstand in Duitsland. Het kapitalisme was de verwoestingen van de oorlog nog niet te boven gekomen, waardoor bijvoorbeeld in Frankrijk de aantrekkingskracht van het communisme flink was toegenomen. Talloze muiterijen en opstanden werden hardhandig ingedamd. Het lukte de communisten, met uitzondering van de kortstondige Hongaarse communistische Radenrepubliek, nergens om door te stoten naar de macht. De moord op de revolutionairen Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg maakte daar een einde aan de communistische aspiraties.                                                                                      De revolutionaire geest was meer groeiende buiten Europa, getuige het antikoloniale verzet op tal van plekken in Azië. Hoewel slechts een begin was gemaakt, hadden volgens Lenin de ‘eerste tongen van vlammen van de revolutionaire vuurzee het oosten bereikt’.[92] De meer diverse samenstelling van de gedelegeerden weerspiegelde deze ontwikkeling. De gedelegeerden waren afkomstig uit 37 verschillende landen en 30 afgevaardigden vertegenwoordigden Aziatische naties als Korea, China, Perzië of India.[93] Discussie tijdens het congres spitste zich niet langer toe op de vraag of revolutie in Azië al dan niet tot de mogelijkheden behoorde, maar op hoe deze ten uitvoer kon worden gebracht.                             Hiervoor zocht Lenin iemand die al met zijn voeten in de koloniale modder had gestaan. Sneevliet was de enige gedelegeerde wiens koloniale ervaring, met de succesvolle oprichting van een revolutionaire socialistische partij, het theoretische vlak oversteeg. Lenin was onder de indruk van de prerevolutionaire ontwikkelingen in Indië zoals de oprichting van politieke partijen en vooral de onafwendbare groeiende invloed die de nationale vakbond met vergaderingen uitoefende op de massa.[94] Indië vervulde daarom een voorbeeldfunctie voor China.   Aangekomen in Moskou deed Sneevliet uitgebreid aan Lenin verslag van zijn Indische activiteiten.[95] Hierop volgend werd Sneevliet secretaris van de Commissie voor de Nationale en Koloniale Vraagstukken met Lenin als haar voorzitter. Dit was opmerkelijk gezien de marginale rol die de Nederlandse afvaardiging speelde vanwege het ontbreken van een behoorlijke revolutionaire beweging in Nederland.[96]                                                         Recente politieke ontwikkelingen in Turkije reflecteerden het tactische dilemma waar de communisten voor stonden. Begin 1920 had de Turkse bourgeois-nationalistische beweging onder leiding van Kemal Atatürk het Ottomaanse sultanaat aan de kant geschoven. Maakte dit deze beweging nu tot een revolutionaire beweging? Het kemalistische regime wilde zowel de geallieerde aanwezigheid in zijn land beëindigen, als Turkije op een kapitalistische grondslag moderniseren.[97] Moesten lokale communistische bewegingen samenwerking zoeken met dergelijke nationalistische bewegingen?                                                                                     Sneevliet had in Indië aangetoond dat een dergelijke samenwerking succesvol kon zijn. Tijdens het congres vormde de jonge Indiase communistische activist Manabendra Roy, medeoprichter van de Indiase communistische partij, de grootste tegenstander van Sneevliet binnen dit vraagstuk. In Brits-Indië vond nationalisme weinig weerslag bij de volksmassa, die volgens Roy volledig gefocust was op sociaaleconomische problematiek.[98]                                      Roy vertrouwde erop dat communistische krachten in China zich vanzelf snel zouden ontwikkelen zodra het kolonialisme ten einde kwam. Het was de hoofdtaak van de Komintern om deze krachten te ondersteunen en middels een systematische en rigoureuze propaganda het klassenbewustzijn bij arbeiders en boeren te doen toenemen. Niet de bourgeois-nationalistische krachten, maar een communistische voorhoede zou het leiderschap over de revolutionaire volksmassa moeten behouden. Roy vreesde dat anders de bourgeois-nationalisten de volksmassa zouden gaan overheersen.[99]                                                    Sneevliet was daarentegen van mening dat communisten zoveel mogelijk samenwerking moesten zoeken met bourgeois-nationalistische krachten, omdat alleen op die manier de volksmassa bereikt kon worden. Alleen met massale acties zou revolutionair verzet kunnen slagen. De middenklasse bleek in Indië niet geïnteresseerd in de nationale kwestie. Door zich te verbinden aan de Sarekat Islam en een te doctrinaire opstelling los te laten, was het de communisten gelukt deze in eerste instantie vooral religieuze beweging meer naar links te doen bewegen. Sneevliet bestempelde de Sarekat Islam als een revolutionaire beweging, ook in het geval van leden die geen bewuste socialistische oriëntatie hadden.[100]                                   Voordat de bevindingen van de commissie aan de vergadering werden voorgelegd, waren de meningsverschillen tussen Sneevliet en Roy in een beraad samen met Lenin gladgestreken. Roy had in een eigen document zijn kritiek geformuleerd op de voorgestelde samenwerking met bourgeois-nationalistische bevrijdingsbewegingen. Lenin gaf Roy te kennen dat zijn tactiek in Brits-Indië vooralsnog geen resultaten had opgeleverd; ondanks de miljoenen proletariërs en landloze boeren bestond er nog steeds geen communistische partij. Het was Roy die aan het kortste eind trok en die zich, nadat zijn thesen door de commissie waren aangepast of verwijderd, neerlegde bij de collectief geformuleerde thesen die het officiële uitgangspunt zouden vormen van Sneevliets opereren in China.[101]                                       De boerenstand vormde het leeuwendeel van de volksmassa en representeerde een nog bourgeois-kapitalistische verhouding. Iedere revolutionaire beweging in Azië zou daarom vanzelfsprekend ook nog bourgeois zijn. Binnen de Komintern sprak men voortaan bewust van ‘nationaal-revolutionaire’ in plaats van ‘bourgois-nationalistische bewegingen’. Alleen bewegingen die ‘oprecht’ revolutionair waren, dat wil zeggen die het door middel van propaganda en onderwijs verspreiden van de revolutionaire principes bij de volksmassa niet in de weg stonden, mochten steun genieten.[102]                                                                                                Het congres besloot samenwerking met de toen nog vrij onbekende nationalistische KMT aan te moedigen. Dit betekende dat deze beweging het predicaat ‘revolutionair’ kreeg toegedicht. Het was de vraag of het Sneevliet in China opnieuw zou lukken om nationalistische en socialistische krachten met elkaar te verzoenen om zo met eerst een nationalistische revolutie het imperialisme ten val te brengen. Vervolgens zou de communistische beweging aan kracht moeten winnen en de nationalisten naar links moeten doen bewegen om met een tweede revolutie het communistische systeem in China op te leggen.

 

De rol van Rusland

De groeiende belangstelling voor Azië zette door met het door de Komintern georganiseerde ‘Congres van de Volkeren van het oosten’ dat plaatsvond in september 1920 te Baku. Een van de doelstellingen van dit congres was het publiekelijk onder de aandacht brengen van het beleid van de Komintern zoals dat tijdens het tweede congres in een kleine kring tot stand was gekomen. Een hoog aantal afgevaardigden was afkomstig uit de Russische grensgebieden zoals de Kaukasus, Turkije en Perzië.[103] Het anti-imperialistische beleid van de Komintern bood de onderdrukte volkeren uitzicht op bevrijding van met name Britse koloniale inmenging.    Enerzijds was dit beleid idealistisch; anderzijds diende het de geopolitieke belangen van de Russische staat die zich meer en meer tot een empire ontwikkelde door de niet-Russische volkeren die deel uit hadden gemaakt van het voormalige tsaristische rijk onder Sovjetheerschappij te brengen. Met het congres hoopten de bolsjewieken hun informele macht onder deze veelal islamitische volkeren te vergroten door een verbond met de islam te sluiten.           Gezien de ideologische afkeer die communisten hadden van religie vormde dit congres een pragmatische zet. Rusland riep op tot een heilige oorlog tegen het westerse imperialisme in de hoop de Britse macht in Azië aan het wankelen te krijgen. Soms echter won ideologische overtuiging het van geopolitieke overwegingen. De bolsjewieken verzetten zich bijvoorbeeld tegen het panislamisme, omdat deze de oude feodale structuren en de heerschappij van Khans en Mullahs in stand hield. Rusland verspeelde hierdoor overigens het nodige krediet bij bijvoorbeeld de Indonesische islamisten.[104]                                                                                     In het algemeen prevaleerden de geopolitieke belangen. Zo steunde Rusland de Afghaanse nationale bevrijdingsbeweging onder leiding van de feodale despoot Amanullah in zijn strijd met het koloniale Britse leger. Begin 1920 hadden de Bolsjewieken steeds meer een vrije hand om zich te mengen in politieke kwesties buiten de eigen landsgrenzen. Lenin verklaarde op het bolsjewistische partijcongres dat de defensieve periode van de oorlog met het imperialisme ten einde was gekomen. Zolang Rusland echter nog aan alle kanten omringd was door vijanden speelden de Russische veiligheidsbelangen in de Komintern minstens zo’n grote rol als de ideologische verbreiding van de wereldrevolutie.[105]                                                 De Russische buitenlandse politiek van die tijd laat zich dan ook vergelijken met een Januskop: aan de ene kant diplomatie en accommodatie en aan de andere kant de revolutionaire wens het kapitalisme desnoods met geweld uit te roeien. Met name de Komintern en Narkomindel (het ministerie van Buitenlandse Zaken) vochten om voorrang, waarbij de meer revolutionair opererende Komintern steeds meer invloed kwijtraakte.[106]               In China hanteerde Rusland een zogenaamde Dual Strategy door zowel diplomatie te bedrijven met krijgsheren als ondertussen zijn revolutionaire ideologie te verbreiden onder de volksmassa. In feite bestond er zelfs een driesporenbeleid, toen Rusland via de Komintern de Kwomintang militair ging ondersteunen. Dit alles kon ertoe leiden dat er tegengestelde belangen bestonden tussen de Komintern en Narkomindel. In China dicteerde het realistische eigenbelang dat vooral Japan, de grootste geopolitieke bedreiging voor Rusland, zoveel mogelijk geïsoleerd moest worden, terwijl een ideologisch opererende Komintern haar pijlen juist vooral op de westerse kapitalistische machten richtte. In de ogen van Narkomindel, dat meer contact zocht met de reactionaire Chinese krijgsheren, was de Komintern teveel gericht op ideologie en propaganda en ontbrak het aan een realistische militaire inslag.[107]               De twee verschillende handelswijzen van beide organen bood Rusland ook voordelen. Narkomindel was in staat op diplomatiek niveau accommodatie met de macht in Beijing na te streven, terwijl ondertussen de opruiende rol van de Komintern onopgemerkt bleef vanwege haar ondergrondse opereren. De Komintern had dankzij de Russische steun weliswaar grotere financiële mogelijkheden en meer militaire steun, maar een Russisch akkoord met niet-revolutionaire krijgsheren zorgde er ook voor dat de Komintern wat van haar ideologische zuiverheid en aantrekkingskracht verloor. In oudere historische bespiegelingen kwam vooral de tegenstelling tussen beide organen naar voren die zich uitte in een zekere zigzag-koers, die maakte dat het Russische optreden in China soms lastig viel te doorgronden.[108]                                Volgens de Amerikaanse historicus Elleman liepen de belangen van de Komintern en de Sovjet-Unie juist niet uiteen. De anti-imperialististische politiek van de Komintern diende er in zijn ogen voor om de Chinese publieke opinie gunstig te stemmen en zo de realistische belangen van de Sovjet-Unie veilig te stellen.[109] Ook Trotski erkende dat het bevorderen van de revolutie een uitgesproken strategisch doel diende. Rusland kon hierdoor zijn onderhandelingspositie ten opzichte van de imperialisten danig versterken.[110]                        Al meteen na de Oktoberrevolutie herstelde het revolutionaire Rusland de diplomatieke relaties met Beijing en maakte het kenbaar te willen breken met de politiek van het tsaristische imperialisme door bepaalde privileges op te geven. In juli 1919 speelde de Russische diplomaat Karakhan in op de onvrede van de 4 mei-beweging door met veel bravoure te verkondigde dat Rusland bijvoorbeeld zou afzien van de schadeloosstellingen als gevolg van de Bokseropstanden. Deze voorstellen, in 1920 concreet uitgewerkt tot het zogenaamde Karakhan manifest, maakten een positieve indruk in China bij zowel de regering in Beijing als bij de bevolking. Rusland hield echter wel vast aan de tsaristische aanspraken op de strategisch van zeer groot belang zijnde Chinese oosterse spoorweg door Mantsjoerije.[111]         Volgens Elleman berust de welwillende houding van de Sovjet-Unie op een mythe die hij in Diplomacy and Deception onderuit probeert te halen.[112] Onder het mom van anti-imperialisme streefde Rusland ernaar de Open Door Policy, de afspraak tussen de grootmachten om China op gelijke basis open te houden voor de handel en zijn territoriale integriteit te waarborgen, met het verbreiden van een anti-imperialistisch georiënteerd communisme te ondermijnen.[113]                                                                                                     Rond 1921 ontstond er een kentering in het Russische buitenlandse beleid. Rusland was met de Nieuwe Economische Politiek een meer rekkelijke weg ingeslagen, omdat het communisme te weinig economische verbeteringen had gebracht. Vanwege de afhankelijkheid van handel met het westen, was Rusland gebaat bij een zekere normalisering van de betrekkingen. De Russisch-Britse handelsovereenkomst van maart 1921 verschafte Rusland een aanwezigheid op het internationale diplomatieke podium. Niet revolutionaire expansie, maar een behoedzaam diplomatiek opereren zorgde voor een verbetering van Ruslands geïsoleerde positie. Niet voor niets verschoof hierdoor het zwaartepunt van de Komintern naar Narkomindel.[114]                                                                                                                                 Rond dezelfde periode opereerde Sneevliet als agent van de Komintern in zuidelijk China. Juist in deze regio en in steden met Russische consulaten als Kanton en Shanghai opereerde Narkomindel behoedzaam, terwijl de Komintern voor een meer activistische en revolutionaire koers opteerde.[115] Sneevliet zou zich binnen deze twee krachtenvelden staande moeten zien te houden. Hoe zou hij een realistisch en minder ideologisch opererend Rusland weten te verzoenen met de idealistische wens om de communistische wereldrevolutie in China te realiseren? 

  1. Sneevliet in het Rijk van het Midden

Agenten die namens de Komintern in China opereerden, speelden een essentiële rol bij het vertalen van een op afstand geformuleerde theorie naar de praktijk. Hoewel zij gebonden waren aan de van hogerhand uitgestippelde lijn door het EKKI,bestond er desondanks een bepaalde autonomie om naar eigen goeddunken te handelen. Agenten hadden niet alleen tot taak om Chinese communisten te voorzien van financiële middelen en propagandistische literatuur; ook gaven zij organisatorische adviezen en formuleerden ze strategieën. Vanwege de onderschikking van lokale bewegingen aan de Komintern en vanwege de verschillen in opvattingen ontstonden er wel eens de nodige wrijvingen en conflicten tussen de agenten en hun Chinese contactpersonen.[116]                                                                                                 In het van de buitenwereld afgesloten Rusland was op dat moment niet veel bekend over de politieke situatie in China. Ondanks het buurschap was deze natie ver verwijderd van Moskou en het Irkoetsk Bureau van de Komintern, dat uitsluitend bemand was met Russen en zich voornamelijk richtte op Noord-China.[117] Shanghai, waar Sneevliet in april 1921 arriveerde, stond voor een deel onder Frans bestuur en was veel beter verbonden met verder weg gelegen gebieden in Europa. Ondanks de verwijdering was er sprake van een regelmatige correspondentie met Moskou, het eerste deel van 1922 uitgezonderd, omdat Sneevliet toen door de provincies Hunan en Guanxi naar Kanton trok en weer terug. De briefwisselingen strekten zich zowel uit tot de grote strategische lijnen als praktische zaken zoals de inhoud van propaganda of gemaakte uitgaven.                                                                                              Sneevliet fungeerde als een bruggenhoofd door uitvoerig onderzoek en verslag te doen van de politieke ontwikkelingen in het zuiden. Deze regio vormde een belangrijke proeftuin voor toekomstige Russische inmengingen in gekoloniseerde regio’s elders. Sneevliets indrukken zouden mede het beeld en daardoor het beleid bepalen dat de Kominternleiding voor deze regio voor ogen had. Enerzijds was Sneevliets rol hierdoor van groot belang. Anderzijds was het niet zo dat Sneevliet de leiding voor een fait accompli kon stellen, zoals ambitieuze tsaristische agenten eind 19e eeuw vaak op eigen initiatief en met goedkeuring achteraf gebiedsuitbreiding ten koste van China hadden bewerkstelligd.[118]                             Sneevliet stond in China voor een enorme uitdaging. Naast het feit dat Sneevliet geen Chinees verstond, vormde alleen al het vele reizen in het binnenland, soms per draagkoets of te voet vanwege het beperkte spoorverkeer, een vermoeiende bezigheid. China bleek in de praktijk veel minder een eenheid, zowel cultureel met een veelheid aan dialecten als geografisch. Het bergachtige, tropische en vochtige zuiden, dat ervoor zorgde dat Sneevliet soms voor langere tijd geveld was door de koorts, contrasteerde enorm met de droge en uitgestrekte noordelijke vlaktes. Waar Shanghai, het industriële hart van China, nog onder invloed van buitenlandse invloeden verkeerde, daar leek in het feodale binnenland, waar slavernij en roverij een normale zaak waren, de tijd te hebben stilgestaan.                                     Ook op politiek vlak was de macht verbrokkeld, waardoor het gevaar per regio enorm kon verschillen. Toen Sneevliet in december 1921 door de provincies Kwangsi en Hoenan trok, kon dit niet zonder miltaire begeleiding geboden door de toetsjoen Tsjao Heng-hsi. Ondanks zijn vriendelijke woorden liet deze een maand later twee socialistische studenten, die onder textielarbeiders een vakbond hadden opgericht, zonder enig proces met messteken om het leven brengen.[119] Sneevliet moest daarom voortdurend op zijn hoede zijn, met name wanneer hij socialistische acties op touw probeerde te zetten.                                                                    De lokale autoriteiten in Shanghai zagen hoe Sneevliet regelmatig bezoek ontving; niet alleen van Chinezen en Russen, maar ook van Koreanen en Japanners. Dit kwam doordat Sneevliet zich in het begin ook bezighield met de gehele Oost-Aziatische regio. Niet voor niets hanteerde Sneevliet, die ervoor wist te zorgen dat de lokale autoriteiten hem meerdere malen uit het oog verloren, meerdere codenamen en pseudoniemen, zoals Simons en zijn bekendste: Maring. De Nederlandse Procureur-Generaal Uhlenbeck meende zo ten onrechte dat Sneevliet van plan was naar Mekka af te reizen, omdat zich daar een centrum zou bevinden voor bolsjewistische propaganda, niet doorhebbend dat Mekka een codenaam vormde voor Moskou, in feite ook een pelgrimsoord maar dan voor communisten.[120]                                      Tot Sneevliets teleurstelling was er zelfs in Shanghai, waar zich de meeste proletariërs bevonden, nauwelijks sprake van een socialistische oriëntatie bij de bevolking, een beperkt aantal intellectuelen daargelaten. Volgens Sneevliet ontbrak het de Chinese ‘koelie’, meer dan de Indische ‘Kromo’, aan eigenwaarde en mondigheid vanwege de gewenning aan de langdurige slechte behandeling onder andere bestaande uit lijfstraffen. Arbeidersbewegingen en socialistische acties stonden er nog in de kinderschoenen ondanks de enorme sociale uitbuiting. Daarnaast vormden de gesloten en hiërarchische Chinese arbeidsgenootschappen een sta-in-de-weg vanwege hun in afzonderlijke beroepsgroepen verdeelde organisatievorm en hun trouw aan de oude Chinese gebruiken. Maffiose organisaties als The Blue Gang, waar Sun Yat-sen tevergeefs de macht probeerde over te nemen, persten zowel werkgevers als arbeiders af in plaats van op te komen voor de belangen van de laatste. Ook voorkwamen deze dat arbeiders zichzelf wisten te organiseren.[121]                                                                                    Volgens Sneevliet ontbrak het de grootste sociale groep, de kleine zelfstandige boeren,  aan vrijwel ieder politiek bewustzijn. Eigenlijk achtte Sneevliet de tijd ook nog niet rijp voor een Chinese communistische partij. Toch werd deze in juni 1921 in zijn bijzijn opgericht.[122] Sneevliet zag het als zijn belangrijkste opgave om allereerst de populariteit en effectiviteit van de vakbeweging te verhogen door een centraal arbeidssecretatiaat te creëren, vakbondsleiders op te leiden en communistische propaganda te verspreiden. Deze moest als tegenwicht dienen voor buitenlandse bladen die bij de Chinese publieke opinie een antisocialistische stemming probeerden te kweken.[123]                                                                                                                  De revolutionaire stemming rondom de 4 mei-Beweging was ondertussen alweer wat weggeëbd. Kanton leek Sneevliet vooralsnog de regio waar de interesse in sociale vraagstukken het grootst was en waar de arbeidersbeweging het meeste perspectief had.[124] De macht lag hier immers niet in handen van krijgsheren, maar bij de KMT die Sneevliet in Kanton en de omliggende regio’s bescherming kon bieden. Op basis van het Tweede Komintern Congres moesten de Chinese communisten, die zich inmiddels bij de Komintern hadden aangesloten, met deze beweging samenwerking zien te zoeken. Hoewel de KMT in contact stond met de Kantonese arbeidersbewegingen was het voor Sneevliet de vraag of deze beweging als nationaal-revolutionair mocht gelden en in hoeverre zij socialistische acties van de communisten zou ondersteunen.         

 

Sneevliet en de Chinese communisten

Sneevliet ging de strijd aan met de links georiënteerde leden van de CCP, een minderheid vormend, die geen heil zagen in samenwerking met de volgens hen rechtse KMT. Ook verschilde hij van mening met leden die voor een meer decentrale organisatievorm waren en propaganda alleen onder een intellectuele voorhoede wilden verspreiden.[125] Bij een aantal communisten bespeurde Sneevliet een gevaarlijke tendens: namelijk het teveel gericht zijn op intellectuele zaken in plaats van op het nastreven van politieke actie in samenwerking met een brede volksmassa. Sneevliet vond dat de communistische voorhoede deze volksmassa zoveel mogelijk moest opzoeken, met name in de vakbonden.[126] Het viel Sneevliet niet mee de CCP te moderniseren en professionaliseren door deze om te scholen tot een leninistische partij met een centralistische en vooral activistische koers.                                                             Teveel Chinese communisten representeerden een meer anarchistische stroming die zich verzette tegen centralisering van de politieke macht. Deze stroming kwam voort uit de verscheidenheid aan autonoom opererende studiegezelschappen die aan de communistische partij voorafgingen. Binnen de Chinese communisten ontbrak het teveel aan consensus over de juiste ideologische koers.[127] Bij sommigen stond een anarchistische achtergrond een bolsjewistische disciplinering in de weg. Anderen, afkomstig uit de academische hoek, hielden vast aan utopische ideeën zoals het vanzelf uitbreken van de revolutie op basis van de materialistische dialectiek. Zij koesterden een minachting voor de ‘vuile’ politieke praktijk.[128]     Sneevliet raakte begin 1922 weliswaar wat positiever gestemd over het opnemen van arbeiders in de vakbonden en het organiseren van stakingen. Het leiderschap van de CCP was volgens Sneevliet zelfs volwassen aan het worden.[129] Er was sprake van een behoorlijke toename van militantie onder arbeiders met 54 stakingen in Shanghai. De CCP was bij de grootste stakingen succesvol betrokken, al bleek het te lastig deze koers door te zetten en de arbeiders te verenigen in een groter verband. Het EKKI bekritiseerde de CCP, omdat deze teveel in kleine cirkels afgesloten van de volksmassa opereerde. Sneevliet zou, volgens de Britse historicus Steve Smith, bewust een te negatief beeld aan het EKKI hebben geschetst over de resultaten van de CCP. In ieder geval overdreef hij vooralsnog het revolutionaire gehalte van de KMT om zo het plan om de CCP in de KMT op te laten gaan, te versnellen.[130]                               Over de algemene politieke omstandigheden in China was Sneevliet in het najaar van 1922 veel minder te spreken. Hij bestempelde de situatie als een complete chaos met kapitalistische grootmachten die deze met hun financiële steun aan bepaalde krijgsheren in stand hielden. Unificatie van China was nog ver weg. In de zelfvoorzienende binnenlanden had het kapitalistische imperialisme nauwelijks invloed. De klassenstrijd was hier geen aansprekend thema en van politiek activisme was volgens Sneevliet geen enkele sprake. De strijd tegen de Mantsjoedynastie was veel meer aangeslagen dan die tegen het buitenlandse imperialisme. In de kustgebieden bestond bij de intellectuele klasse sterk uiteenlopende voorkeur voor de verschillende buitenlandse grootmachten, hetgeen volgens Sneevliet sterk afhing van het land waar men zijn opleiding had genoten.[131]                                                                       Dit alles maakte het voor Sneevliet niet eenvoudig zich tot de populaire volksleider te ontwikkelen die hij wel was in het meer vertrouwde en overzichtelijke Java waar sociale thema’s veel meer aansloegen bij de volksmassa. Daarnaast was Sneevliet in China teveel een agent van de Komintern die met zijn autoriteit schermde tegenover de Chinese communisten. Sneevliet stond niet naast zijn Chinese kameraden, maar kapittelde hen zoals een schoolmeester zijn leerlingen terechtwijst.                                                                                             Dit betrof met name Zhang  Kuo-t’ao, een van de kopstukken van de CCP en Sneevliets grootste ideologische tegenstander.    Zhang maakte ‘zeer veel fouten’ en zijn ‘kortzinnige ideeën’ zorgden in de ogen van Sneevliet voor tweespalt. Sneevliet was met name teleurgesteld in het feit dat de communisten te weinig contact hadden gezocht met andere groeperingen zoals boeren, soldaten, jongeren en ook vrouwen, al verschilden de behaalde resultaten enorm per regio. Intellectuelen en arbeiders wisten elkaar nauwelijks te vinden.[132]                                     Zhang meende dat Sneevliet onvoldoende kennis bezat over China en teveel wonderen verwachtte van de KMT. Weliswaar dwong Sneevliet met zijn politieke ervaring, volharding en charismatische verschijning gaandeweg meer respect af bij Zhang, maar deze vond ook dat Sneevliet met zijn ongedurige, gebiedende en soms agressieve houding zijn rol als adviseur overschreed. In zijn autobiografie typeerde Zhang, enigzins gekleurd in zijn mening, Sneevliet als een ‘buitenlandse duivel’ die erop uit was om verdeeldheid te zaaien binnen de CCP.[133] Sneevliets soms neerbuigende houding en onvermogen om consensus te zoeken, deed Zhang opmerken dat deze bedeeld was met een typisch blank koloniaal superieuriteitscomplex.[134]          Ook  iemand als Chen Duxiu, een medestander van Sneevliet inzake het autoritaire leninistisch partijmodel, was kritisch op de door Sneevliet gewenste koers. Volgens hem was het beleid van de KMT om op zoek naar macht en eigen gewin met krijgsheren samen te werken niet te verenigen met het verbreiden van het communisme. De CCP zou door deze samenwerking haar geloofwaardigheid op het spel zetten.[135] Sommige communisten vonden dat de voordelen van een nationale strijd niet opwogen tegen de ideologische defecten van de KMT.[136] Mao daarentegen was voor toetreding tot de KMT. Een Chinese proletarische revolutie zou immers nog lang op zich wachten. Eerst diende de wereldrevolutie in het westen te slagen. Voorlopig bood de KMT een goede mogelijkheid om ook boeren en handelaren te bereiken.[137] De CCP besloot om de lijn van de Komintern te volgen.                                                            Toch meende een zeer aanzienlijke minderheid onder de communisten in tegenstelling tot Sneevliet en Lenin dat de Chinese bourgeoisie geen enkele revolutionaire betekenis had. Hieronder bevonden zich ook leden die geen enkel vertrouwen hadden in zowel een proletarische als een nationalistische revolutie, tenzij deze door het Rode Leger vanuit het noorden China ingebracht zou worden. Volgens Sneevliet toonden de debatten de onvolwassenheid aan van deze ‘kleine organisatie’. Het was geen wonder dat er nauwelijks Chinese socialistische literatuur bestond en dat weinig leden in staat waren om Europese literatuur tot zich te nemen. Hoewel Sneevliet meende dat de omstandigheden in het politiek en economisch achtergestelde China een noodzakelijke samenwerking met de nationalisten dicteerden, was hij op zijn hoede. Hij wees op Turkije waar de nationalisten alleen militaire activiteiten hadden ondernomen zonder een grondige propagandastrijd. Als gevolg daarvan was het feodalisme er na de revolutie in stand gebleven.[138]

 

Communisme en nationalisme

De succesvolle zeeliedenstaking in Hong Kong gericht tegen het koloniale Britse regime en met steun van de KMT had Sneevliet halverwege 1922 enthousiast gemaakt over de samenwerking. Hij bestempelde deze staking als ‘verreweg de belangrijkste gebeurtenis in de jonge geschiedenis van de Chinese arbeidersbeweging’. Nationalisme en socialistische acties gingen hand in hand. Naar Sneevliets tevredenheid was de schaalvergroting binnen de Kantonese vakbonden toegenomen en hadden diverse stakingen tot hogere lonen geleid. De KMT verwierf gezag binnen de arbeiders die samen met soldaten meer en meer de partij binnenstroomden.[139] De KMT begon zich steeds meer tot een massapartij te ontwikkelen vanwege de brede steun die zij niet alleen genoot bij arbeiders, maar ook bij ambachtslui, boeren en soldaten.[140]                                                                                                                             Het vriendschappelijke contact dat Sneevliet met haar leider Sun Yat-sen ontwikkelde, kleurde zijn in eerste instantie positieve oordeel over het revolutionaire gehalte van de KMT. Sneevliet meende dat in Sun een potentiële socialist schuilging ook al had Sun te kennen gegeven het kapitalisme niet volledig te willen vervangen. Sneevliet was minder te spreken over de overige leden van Suns regering. Dit waren volgens hem maar ‘democratisch-nationalisten’ die slechts een ‘vage’ socialistische oriëntatie bezaten.[141] Dit gold ook voor de gouverneur van Kanton, Chen Jionming, al stond hij het bedrijven van socialistische propaganda tenminste niet in de weg.[142]                                                                                         Er moest in feite een dubbele revolutie uitgevoerd worden in de vorm van een tweetrapsraket. Sneevliet vond dat zijn tegenstanders binnen de CCP over het hoofd zagen dat een nationale revolutie voorlopig het enig realistische en daarom voornaamste doel vormde. Nog in juni 1923 schreef Sneevliet dat deze revolutie zonder de macht van de KMT geen kans van slagen had.[143] Krijgsheren waren te eenvoudig in staat gebleken socialistische acties als stakingen met hun militaire macht te breken. Tegen Zhang schamperde Sneevliet: ‘Waar is je arbeidersbeweging nu? Deze is vernietigd door de paar geweren van Wu Peifu.’ Sneevliet wilde snel resultaten boeken en vertrouwde er niet op dat dit de kleine hoeveelheid ‘ijverige marxistische studenten’ binnen afzienbare tijd zou lukken.[144]                                                        Het was echter maar zeer de vraag of de CCP de leidende rol zou kunnen overnemen en een tweede revolutie, gericht tegen de bourgeoisie, uit zou kunnen voeren. Slechts 1% van de bevolking bestond volgens Sneevliet uit moderne arbeiders die ook nog teveel in ‘oude tradities’ bleven hangen. De Chinese bevolking was ‘quantitativ und kwalitativ slechtes Materiell fur eine kommunistische Massenpartei, doch wertvoll in der nationale Revolution.[145]       De sleutel tot succes om krijgsheren als Wu aan de kant te schuiven lag in de militaire slagkracht van de KMT gecombineerd met een brede steun onder de volksmassa. Met behulp van met name nationalistische in plaats van socialistische propaganda zou deze volksmassa geactiveerd kunnen worden.[146] De volksmassa zou er volgens Sneevliet voor zorgen dat de leiders van de KMT niet zomaar slechts militaire doeleinden zouden nastreven zonder oog te hebben voor de nood van de bevolking.[147]                                                                                         Ondanks de aanwezigheid van zowel militaristische als bourgeois elementen oordeelde het EKKI dat de leden van de CCP als individu op zouden moeten gaan in een Eenheidsfront met de KMT. De CCP diende binnen dit front haar eigen politieke identiteit te behouden en zoveel mogelijk socialistische acties op touw te zetten, terwijl zij ondertussen frictie zoveel mogelijk diende te vermijden. Daarnaast hadden de communisten tot taak de KMT in de richting van gemeenschappelijke acties met Rusland te stuwen om tezamen de strijd aan te gaan met het Europese, Amerikaanse en Japanse imperialisme.[148]                                                        Het was de vraag of de KMT in staat zou blijken te zijn de volksmassa aan haar kant te krijgen. Zij was in ieder geval, net als Sneevliet, te weinig gefocust op de rol van de talrijke kleine boeren, terwijl het EKKI deze groep een centrale rol toedichtte. In mei 1923 luidde de instructie van het EKKI aan de CCP dat de revolutie alleen succesvol zou zijn wanneer deze ‘belangrijkste massa’ in de vorm van een revolutionaire boerenbeweging in een alliantie verenigd met de arbeiders zou deelnemen aan het anti-imperialistisch front. Naast landhervormingen en een volledige steun aan de arbeidersbeweging diende de KMT een grondige propagandastrijd te voeren om zo de volksmassa aan haar kant te krijgen. Deze moest zij zien te overtuigen van het buitenlandse imperialistische gevaar en de noodzaak van militaire acties tegen de krijgsheren.[149]

 

Communisme versus geopolitiek

De Komintern verspreidde niet alleen een ideologie, maar was ook verbonden aan een steeds machtiger wordend Russisch militair apparaat dat financiële middelen beschikbaar kon stellen. De communistische leer was dan ook niet los te zien van het revolutionaire Rusland. Het aanvankelijk welwillende Russische beleid ten opzichte van Chinese eenwording had de aantrekkingskracht van het communisme verder verhoogd. Echter, een toenemend Chinees nationalisme zou Russische bemoeienis, en dus ook de activiteiten van de Komintern, tevens eerder als een inmenging gaan beschouwen. Daarom schuilde er voor zowel de Komintern als Narkomindel een gevaar in het bevorderen van een nationalistische revolutie. Zelfs binnen de CCP groeide niet voor niets de vrees dat een te sterke verbintenis met de Komintern de autonomie van China zou kunnen aantasten.[150]                                                                 Rusland had, aan alle kanten omgeven door vijanden, te kampen met veiligheidsbelangen die wel eens ten koste zouden kunnen gaan van een revolutionair idealisme. Van de andere kant schuilde in het verspreiden van de revolutie ook weer een realistische component: een revolutionair, rood China zou een essentiële bondgenoot van Rusland kunnen worden. De anti-imperialistische agenda van de CCP, die afzag van aanspraken op niet-Chinese gebieden als Mongolië en Sianking,[151] kwam Rusland vanuit een geo-politiek oogpunt niet verkeerd uit. Realisme en idealisme en waren onlosmakelijk met elkaar verbonden.                                                                                                                                Het revolutionaire Rusland vertoonde echter al in juni 1920 oude imperialistische trekken door de Perzische provincie Gilan tot een socialistische Sovjetrepubliek uit te roepen. De zwakke Perzische communistische partij, die ook gedwongen was toenadering te zoeken tot de bourgeoisie, zag deze imperialistische machtsgreep als een bedreiging van haar revolutionaire beweging.[152] Het communisme was voor een deel populair vanwege zijn anti-imperialistische stellingname. Echter, een klein en zwak Rusland zou niet in staat zijn de strijd tegen het imperialisme aan te voeren. De wereldrevolutie zou in de woorden van de bolsjewiek Kiroveen aantal generaties worden uitgesteld wanneer de positie van Rusland in het gedrang zou komen.[153]                                                                                                                                             Sneevliet beschouwde Rusland niet alleen als de bakermat, maar ook als hoeder van de revolutie. De Nederlandse communist en dichter Herman Gorter, criticus van een bolsjewistische dominantie binnen de Komintern, was een andere mening toegedaan. Al in 1921 waarschuwde Gorter de zojuist in China aangekomen Sneevliet dat Rusland de revolutie schade berokkende, doordat het de Komintern als instrument hanteerde ten faveure van de eigen belangen.[154]                                                                                                                           De lijnen tussen Narkomindel en de Komintern waren in ieder geval behoorlijk verweven. Russische leidinggevenden van de Komintern zoals Zinoviev of Bucharin met wie Sneevliet in contact stond, waren tevens prominente bolsjewieken, terwijl ook Lenin en Trotski veelvuldig de vinger aan de pols hielden. Ook correspondeerde Sneevliet veelvuldig met de invloedrijke Russische gezant Aldolph Joffe, die in 1923 met Sun het verdrag sloot dat Russische bijstand aan de KMT formaliseerde. Russische militaire garanties zouden Sun over de streep kunnen trekken om de samenwerking met de CCP aan te gaan. Joffe verlangde van Sneevliet dat deze in China zoveel mogelijk positieve publiciteit zou verspreiden over de economische ontwikkelingen in Rusland.[155]                                                                             Volgens de historicus Elleman bedreef Rusland vanaf 1921 een geheime en lang onontdekte diplomatie met Beijing om zo het voormalige tsaristische empire ten koste van China te herstellen. De anti-imperialistische propaganda fungeerde hiervoor als een dekmantel. Door de Komintern uitgegeven weekbladen hadden ook tot taak het buitenlandse beleid van Rusland te verkopen.[156] Sneevliet was aanvankelijk van mening dat de belangen van Narkomindel en de Komintern parallel liepen, aangezien de laatste immers flink kon profiteren van de Russische steun aan de Chinese nationale beweging. Pas wanneer China’s arbeiders en intellectuelen vriendschappelijke banden met het ‘nieuwe’ Rusland zouden aanhalen, dan zou de bevrijdingsstrijd een kans van slagen hebben.[157]                                                                    Sneevliet achtte het, net als Joffe, wel van groot belang dat Rusland niet handelde op een wijze die de Chinese bevolking als imperialistisch zou kunnen opvatten. Hierover ontstond steeds meer twijfel bij Sneevliet die stelde dat het Russische beleid ‘unzweideutig national freundlich und antiimperialistisch’ moest zijn.[158] Hierbij ging het net zo goed om de feiten als om de perceptie ervan. Zo meende Chen Duxiu dat de Chinese regering toenadering tot de Russische moest zoeken, omdat Rusland de enige grootmacht was die zich verre hield van imperialisme.[159] Sun daarentegen meende dat Rusland met zijn invloeden in het noorden een bedreiging zou kunnen gaan vormen voor de Chinese soevereiniteit. Een China onder zijn leiding zou zich wellicht ooit tegen Rusland dienen te keren. Vooralsnog kon hij de Russische steun echter goed kon gebruiken ter versteviging van zijn wankele positie. [160]                      Zowel Sun als Sneevliet werden een instrument van het Russisch imperialisme ook al waren zij zelf tegen dit imperialisme gekanteld. In zijn vroege geschriften kwam Sun naar voren als een meer democratische wilsoniaanse nationalist. Na het verbond met Rusland ontspon er zich een meer radicale leninistische vorm van nationalisme gebaseerd op strijd tegen de onderdrukkers.[161] Deze strijd richtte zich echter veel meer op een binnenlandse dan een buitenlandse onderdrukking. Sneevliet oordeelde dat de slogan ‘weg met de krijgsheren’ vooralsnog meer aansloeg dan de slogan ‘weg met het imperialisme’. De CCP moest daarom meer werk gaan maken van anti-imperialistische propaganda.[162] Ook moest de CCP in opdracht van het EKKI toenaderingen tussen de KMT en militaristische bewegingen, agenten van de kapitalistische grootmachten vijandig aan Rusland, zien te dwarsbomen.[163]                                Sneevliet raakte er eind 1922 van doordrongen dat de bolsjewieken, ook degenen die een leiderspositie in de Komintern bekleedden, meer belangstelling hadden voor dergelijke militaire aangelegenheden dan voor socialistische propaganda. Sneevliet bespeurde twee krachtenvelden: een idealistische, gericht op revolutie en een realistische, gericht op Russische belangen. Het contact dat Sneevliet in Moskou in september 1922 had met Karl Radek, een van de prominente leden van het EKKI, droeg bij aan deze opvatting. De breuk van Sneevliet met zowel de Komintern als de Sovjet-Unie in de latere jaren twintig valt al te traceren in deze periode. De doorgaans goed geïnformeerde Radek verzette zich tegen de zijns inziens te rooskleurige inschattingen van het Kremlin om de internationale verhoudingen met militaire middelen naar de hand te kunnen zetten. Radek pleitte voor het gebruik van een sterker wapen dan de bajonet: het marxisme.[164]                                                                             Sneevliet was zeker niet gekant tegen militaire bijstand, maar wilde tegelijkertijd zoveel mogelijk het marxistische woord onder de Chinese bevolking verspreiden. De positie van Sneevliet werd steeds ongemakkelijker gezien zijn twijfels over de Russisch imperialistische bedoelingen en zijn problematische relatie met de CCP. Meer en meer stortte Sneevliet zich op de KMT in de hoop deze beweging op het revolutionaire pad te brengen.

 

De KMT als ‘revolutionaire’ beweging

Ook over het revolutionaire gehalte van de KMT ontstond bij Sneevliet steeds meer onzekerheid. In september 1922 berichtte Sneevliet nog dat Sun en zijn collega’s goed doorhadden dat revolutionaire propaganda tegen het buitenlandse imperialisme gewenst was. Het probleem lag bij de communisten die zich afkeerden van het politieke werk en niet in staat waren een intensieve propagandacampagne te voeren.[165]                                                                     Sneevliet vreesde dat China niet ontvankelijk genoeg was om nieuwe ideologische stromingen te incorporeren en dat het ontstaan van een massapartij nog vele jaren een fictie zou blijven. Aan zijn Hollandse compaan Van Ravesteyn liet Sneevliet weten zeer pessimistisch te zijn over het lethargische gehalte van de Chinese arbeider en het uitblijven van publieke protesten. Zijn onvrede betrof nu ook het beleid van de KMT dat met haar beleid het ‘handjevol zogenaamde communisten’ regelrecht naar de isolering en het sektarisme’ dreef. Sneevliet gaf te kennen te oud te zijn geworden om de talloze omzwervingen nog te willen doorstaan.[166]                                                                                                                                            In juni 1923 liet Sneevliet aan Joffe als Zinoviev weten dat Sun de financiële steun, bestemd voor propagandadoeleinden, besteedde aan de wensen van ‘hongerige generaals’.[167]Op deze manier zou een massaal anti-imperialistisch front in China uitblijven. Sneevliet vond daarom dat er niet langer geld naar Sun moest gaan, zolang deze een rechtse tactiek bleef aanhouden die niet stoelde op ‘revolutionaire nationalistische principes’.[168] Het militarisme van de KMT was weliswaar een voorwaarde voor revolutie, maar op zichzelf was dit niet voldoende. Aan Liao Zhongkai, een sleutelfiguur binnen de linkervleugel van de KMT, gaf Sneevliet in juli te kennen dat een nieuw onafhankelijk China alleen gebouwd kan worden door midden van een ‘sterke moderne partij met echte revolutionair overtuigde en politiek bewuste leden’.[169]                                                                                                                               Sneevliet had weinig vertrouwen in het vermogen van de communisten om de KMT naar hun hand te zetten. Tegenover Zinoviev en Boecharin toonde Sneevliet zich wanhopig over de Chinese communisten. Deze waren ‘sehr jung sind in Erfahrung und die meisten arm in Kenntnissen’. Sneevliets inspanningen hadden na twee Chinese tropenjaren tot maar420 leden geleid, met slechts 160 arbeiders onder hen. Omdat de meeste leden geen baan hadden, waren er nauwelijks connecties met werkers in de fabrieken of andere laag betaalde beroepen. Nog geen 10 procent van de leden betaalde contributie, waardoor de CCP vrijwel geheel afhankelijk bleef van exterme bijstand.[170]                                                                                        Sneevliet pleitte voor een gesloten front vanuit een steeds meer verdeelde Komintern richting de CCP. Als met name linkse leden zouden menen dat er sprake was van een richtingenstrijd binnen de Komintern over het Chinese vraagstuk – met Radek en Savarof ter linkerzijde, Boecharin in het midden en Sneevliet en Joffe als voorstanders van het continueren van het Eenheidsfront ter rechterzijde,  –  dan zou dit Sneevliets positie ten opzichte van de CCP verzwakken. Tot Sneevliets onvrede had Zhang bij een bezoek aan Moskou al vernomen dat Sneevliet teruggeroepen zou worden uit China, omdat bepaalde leden ontevreden waren over zijn werk.[171] Sneevliet wilde voorkomen dat de CCP de vertegenwoordigers tegen elkaar zou uitspelen en zo aan het Eenheidsfront zou ontsnappen.                                                                      Vanuit de CCP ontstond er steeds meer kritiek op het verbond met de KMT en dus op Sneevliet: de personificatie van dit verbond. Sneevliet weigerde volgens Zhang de donkere kanten van de KMT in te zien. Intussen was niet de KMT naar links opgeschoven, maar de CCP naar rechts.[172] Sneevliet verweerde zich tegen aantijgingen dat hij de KMT zou ‘aanbidden’ en dat hij erop uit zou zijn de CCP op te doeken. Volgens hem school er een groot gevaar in het opdelen van de partij in links en rechts.[173]                                                                                     Anders dan in India bestond er volgens Zhang geen nationalistische beweging in China. De Chinese bourgeoisie was teveel afhankelijk van het buitenlandse kapitalisme. Er bestond hoogstens een anti-Japanse beweging. De KMT deed maar wat graag zaken met de Amerikaanse en Britse imperialisten. Tegenkrachten binnen de KMT waren niet talrijk genoeg om haar om te vormen tot een daadwerkelijk anti-imperialistische beweging. Verscheidene grote afdelingen in Changsha, Hankow en Beijing verzochten eind 1923 een nieuw partijcongres om de relatie met de KMT te herevalueren.[174]                                                Sneevliet moest van CCP-leden vernemen dat ook de linkse, revolutionaire vleugel van de Komintern steeds meer kritiek had op zijn optreden. Sneevliet begreep niet goed op basis waarvan hij in het rechtse kamp werd ingedeeld, aangezien hij handelde op basis van de door de Komintern afgekondigde thesen. Beter kon deze linkervleugel van de Komintern zijn pijlen richten op het Russische Politbureau dat volgens Sneevliet zo’n twintig keer meer steun verleende aan de KMT dan aan de werkzaamheden van de Komitern in China.[175] Volgens Voitinsky en Safarov, hoofd van de oosterse sectie, had Sneevliet teveel gegokt op het revolutionaire gehalte van de KMT en was hij tegenover de Komintern te rooskleurig geweest over Sun, die ondertussen ook contact had gelegd met de Verenigde Staten. Zij eisten dan ook de terugtrekking van Sneevliet uit China.[176]                                                                                        Sneevliet moet moegestreden zijn geraakt van de in feite onmogelijke positie waarin hij verkeerde, eenzaam gevangen tussen allerlei verschillende kampen en belangen.  Voor een deel had Sneevliet dit aan zichzelf te danken, aangezien hij de interesse van Sun in het socialisme had overschat en aan de Komintern had gemeld dat Sun zichzelf als een bolsjewiek beschouwde.[177] Gezien de zwakte van de communistische beweging bleef Sneevliet desondanks van mening dat een verbond met een revolutionair-nationalistische partij noodzakelijk was. Wanneer de KMT aan haar eigen fouten ten onder zou gaan, zou de Komintern de oprichting van een nieuwe vergelijkbare partij in gang moeten zetten.[178]                                                           Zelfs vanuit Amsterdam zou Sneevliet in april 1924 Sun nog persoonlijk verzoeken om opnieuw naar China af te mogen reizen om nu direct voor het informatiebureau van de KMT aan de slag te gaan zonder tussenkomst van de Komintern. Sneevliet, die zo kans zag om zijn Russische vrouw en dochtertje naar China over te laten komen, was van plan een biografie van Sun en van de nationalistische beweging in China te schrijven. De banden tussen de ‘twee grote revolutionaire bewegingen van deze tijd’ waren nog altijd jong, zo schreef hij.[179] Sneevliet gokte op twee paarden, aangezien hij op hetzelfde moment een verzoek stuurde aan zowel Joffe als Voitinsky om voor de Komintern in China actief te blijven.[180]                                        Tijdens het eerste Nationale Congres van de KMT in januari 1924 leek het even dat het verbond tussen de twee bewegingen alsnog beter vorm zou krijgen. Het Congres nam een resolutie aan die een driedelig verbond van de KMT met Rusland, de communistische beweging en de arbeiders en boeren vaststelde en daarnaast de gezamenlijke strijd tegen het imperialisme en het feodalisme onderschreef. Verscheidene communisten als Li Dazaho en Mao veroverden een plek in het Uitvoerend Comité van de KMT. Verdere democratisering van de KMT, waar Sneevliet lang op had aangedrongen, bleef uit.                                                           Een paar jaar later bleek dit verbond al bijzonder broos. Suns opvolger, de reactionaire militair Chiang Kai Shek, zou met bruut geweld stakingen in Kanton onderdrukken en de strijd aangaan met de boerenbewegingen, Desondanks moedigde de Komintern de communisten aan om aan de KMT verbonden te blijven en ondertussen met de steun van de boeren de hegemonie binnen de nationale bevrijdingsbeweging te veroveren.[181] Het bleek al te laat.                    Toen in 1927 de vakbeweging met steun van de Komintern de macht in Shanghai probeerde over te nemen, vormde dit aanleiding voor Chiang om een massale zuivering van communistische elementen binnen de eigen gelederen uit te voeren. Het bloedbad van 1927 in Shanghai had een vernietigende uitwerking op de communistische beweging. Het was Stalin die de arbeiders in Shanghai had bevolen om de troepen van Chiang te verwelkomen, terwijl Zinoviev, Radek en Trotski bevreesd waren voor de intenties van Chiang. Duizenden communisten vonden de dood, tragisch genoeg als gevolg van door Rusland aan de KMT geleverde wapens.[182]                                                                                                                         Ook voor Rusland had het bloedblad grote gevolgen, aangezien de Russische adviseurs, actief in China, hals over kop op de vlucht moesten slaan. Er kwam een einde aan de Russische inmenging in China via de KMT. Dit viel vooral Rusland zelf aan te rekenen. Stalin had in 1923 aan Sovjetgezant Borodin de opdracht had gegeven het accent te leggen op de versteviging van de nationale bevrijdingsbeweging en vooral niet ‘afgeleid’ te raken door het verspreiden van het communisme.[183] Het was Zhang die eind 1923 al waarschuwde dat de toenemende anticommunistische sentimenten vanuit de KMT in Shanghai een acute kwestie aan het vormen waren.[184]                                                                                                                              De communistische beweging kon vier jaar na het vertrek van Sneevliet nog steeds geen vuist maken. De wereldrevolutie zat in Azië in het slop. Ook het koloniale gezag in Indië maakte in 1927 korte metten met de PKI. Het door Sneevliet geïnitieerde experiment om in gekoloniseerde naties met ‘nationaal-revolutionaire’ bewegingen samen te werken, viel in duigen. De strijd tussen communisten en nationalisten zou in een bloederige Chinese burgeroorlog culmineren die pas in 1949 ten einde kwam. Het was de KMT, nog altijd onder leiding van Chiang, die moest uitwijken naar Taiwan en het was de CCP van Mao die na zijn Lange Mars en een nog langere strijd de communistische Volksrepubliek China wist te stichten.

 Conclusie

Gaandeweg de 19e eeuw had niet alleen het westen, maar ook het kleinere Japan China voorbijgestreefd. Het centrale dynastieke gezag had steeds minder grip op de Chinese natie. Nationalistische gevoelens kwamen steeds massaler tot uiting als reactie op de vernederende imperialistische inmengingen. Geïnspireerd door de Russische revolutie van 1905 volgde er een transnationale revolutionaire golf door Azië die in 1911 China bereikte. Steeds meer bepaalden buitenlandse invloeden mede de loop van de Chinese geschiedenis. Er kwam zo een einde aan de laatste dynastie die eeuwenlang China bijeen had gehouden, waardoor er een ideologisch vacuüm ontstond.                                                                                                                              Het was de vraag welke ideologie dit vacuüm zou invullen en wat voor politiek systeem de dynastieke macht zou vervangen. Voorlopig was er sprake van een grote politieke chaos, waardoor imperialistische invloeden bleven voortwoekeren. De grotere vervlechting met het westen had geresulteerd in een toenemende diversificatie aan politieke stromingen. Het communisme was bij de bevolking echter nog vrij onbekend en de communistische beweging stond nog in haar kinderschoenen.                                                                                                         Rond 1920 verschoof de aandacht van de Komintern van Europa meer naar het oosten. Het belang van Azië binnen de wereldpolitiek nam hierdoor enorm toe. Het Aziatische proletariaat zou een belangrijke bondgenoot kunnen zijn in de strijd tegen de kapitalisten. Na de Russische burgeroorlog kregen bolsjewieken de handen vrij om de revolutie te exporteren. Tijdens het Tweede Komintern Congres vervulde de Nederlander Henk Sneevliet een sleutelrol. Vanwege zijn ervaring in het gekoloniseerde Nederlands-Indië stelde Lenin een groot vertrouwen in hem.                                                                                                   Sneevliet had er een succesvol verbond gesloten met de sterkere nationalistische krachten, een noodzakelijkheid gezien de zwakke positie van de arbeiders. Aansluitend op de antikoloniale stemming besloot het Congres op aandringen van Sneevliet om in Azië samenwerking te zoeken met sterkere nationalistische krachten. Binnen een anti-imperialistisch front zou het makkelijker zijn om de volksmassa met nationalistische propaganda te mobiliseren.                                                                                                                Het communisme vormde de antikoloniale bevrijdingsideologie bij uitstek, met name na de teleurstellende behandeling vanuit het westen die China na afloop van de Eerste Wereldoorlog ten deel viel. Niet de economische leer, maar zijn radicale elementen, zoals de bereidheid om de strijd te voeren buiten het politiek proces om, verhoogde de aantrekkingskracht van het communisme. Daarnaast zou het gecentraliseerde en leninistische partijmodel deze strijd effectief vorm kunnen geven. De nationalistisch georiënteerde KMT vormde de enige politieke beweging vdie een vuist kon maken tegen de krijgsheren en het imperialisme. Daarom droeg Sneevliet namens de Komintern de Chinese communisten op om op te gaan in een ‘Eenheidsfront’ met deze KMT om vervolgens van binnenuit met name anti-imperialistische propaganda bedrijven. De KMT had het stempel ‘nationaal-revolutionair’ gekregen, maar het was de vraag of zij de communisten zouden ondersteunen in hun ideologische strijd. Haar leider Sun Yat-sen was geen revolutionair in de communistische zin van het woord. Hij streed dan wel tegen autocratische en imperialistische elementen, maar vooral met militaire middelen, waardoor hij te weinig oog had voor het verwerven van een brede steun onder de volksmassa.                                                                                                       Een deel van de Chinese communisten met een meer intellectueel-anarchistische achtergrond prefereerde een kleine, maar ideologisch zuivere beweging die vasthield aan de revolutionaire principes. Sneevliet was net als in Nederland en in Indië tegen een sektarische voorhoedepartij die geen verbinding met de volksmassa zocht. Cultuurverschillen maakten het vestigen van het communisme in China lastig. Sneevliet schrok van het gebrek aan politiek bewustzijn en het lethargische karakter van de Chinese onderklasse. Ook het anti-imperialisme bleek veel minder aan te spreken dan voorheen verwacht. Grote feodale gebieden waren afgezonderd gebleven van buitenlandse invloeden. Hier was geen sprake van een concurrerende ideologische strijd tussen een wilsoniaans liberalisme en een leninistisch anti-imperialisme. Militaire in plaats van ideologische factoren dicteerden de politieke ontwikkelingen. De strijd tegen inheemse krijgsheren sloeg veel meer aan, zo ook binnen de KMT.                                                                                                                                               Het lukte Sneevliet niet om deze beweging naar links te doen bewegen zoals in Indië. In zijn laatste jaar ontstonden bij Sneevliet steeds meer twijfels over het revolutionaire gehalte van de KMT. Sneevliet bleef desondanks van mening dat een revolutie zonder de steun van de nationalisten onmogelijk was. De CCP was teveel een marginale beweging gebleven om van de KMT een anti-imperialistische beweging te kunnen maken met een brede steun onder de volksmassa.                                                                                                                             Sneevliet kwam steeds meer in botsing met communisten die het revolutionaire karakter van de KMT betwijfelden en die Sneevliet bovendien een autoritair en rechts leiderschap verweten. Sneevliets neerbuigendheid schuilde niet in een koloniale instelling, maar in zijn koppige vertrouwen in zijn eigen ideeën en gelijk zoals vele missionarissen voor hem. De Chinese communisten die het met hem oneens waren, misten volgens hem zijn noodzakelijke ervaring. Sneevliet wilde door acties op touw te zetten en zoveel mogelijk propaganda te voeren verschillende groeperingen mobiliseren en met elkaar verbinden. Bovenal was hij zeer pragmatisch in zijn aanpak.                                                                               De culturele afstand met de zich geduldig en passief opstellende Chinese communisten bleek groot. Ondanks de internationalisering van China bleken de eigen tradities vaak taai. In het immense China bestond bovendien een grote pluriformiteit aan communistische bewegingen, waarbij het anarchistische element van het communisme de overhand had. Het radicale element sloeg meer aan bij de militaristische KMT dan bij de theoretisch georiënteerde CCP. Tevergeefs probeerde Sneevliet, een typische representant van een meer modernistische stroming, meer disciplinering en professionalisering binnen de CCP te bewerkstelligen.                                                                                                                        Sneevliet ontbeerde in China de charismatische leiderschapsrol die hij in Indië wel had weten te ontwikkelen. Daar stond hij veel dichter bij zijn publiek en naast zijn kameraden. Sneevliet beriep zich in China op de macht van de Komintern wanneer hij hen probeerde te overreden. Sneevliet was nu veel drukker bezig met het op afstand taxeren en het veelvuldig aan de Komintern rapporteren van de politieke situatie in het complexe en verbrokkelde China. Sneevliet was met al zijn opvattingen over de politieke ontwikkelingen in China dan ook veel meer dan slechts een man van de actie zoals zijn biograaf Tichelman oordeelde.                    Sneevleit zat echter teveel gevangen in een web van tegengestelde belangen, zowel binnen de Komintern en de CCP als tussen deze twee bewegingen, om succesvol te kunnen opereren. Binnen de Komintern ontstond er vanuit linkse hoek steeds meer kritiek op Sneevliets vasthoudenheid ten aanzien van het Eenheidsfront. Sneevliet probeerde de rijen, vaak tevergeefs, zoveel mogelijk gesloten te houden. De CCP probeerde van deze verdeeldheid gebruik te maken en Sneevliet achter zijn rug om te passeren.                                                   Sneevliet gaf weliswaar zoveel mogelijk zijn mening aan het EKKI kenbaar. Toch had hij zich als agent te conformeren aan de directieven van hogerhand, zo ook aangaande de propaganda die steeds meer gevormd werd op basis van de Russisch belangen. Vrijwel alle middelen gingen tot Sneevliets onvrede op aan militaire bijstand aan de KMT in plaats van aan propaganda en onderwijs. Bepaalde bolsjewieken hechtten een groter belang aan het door middel van propaganda idealistisch verspreiden van de wereldrevolutie. Anderen zagen propaganda vooral als een instrument voor de Russische belangen. Zonder een militair Rusland zou de wereldrevolutie volgens deze laatsten verloren zijn. Idealisme en realisme waren dan ook onlosmakelijk met elkaar verbonden.                                                             Hoewel Sneevliet vanwege zijn steun aan de KMT binnen de Komintern als rechts viel te positioneren, stond hij links in zijn toenemende kritiek op het zich steeds meer manifesterende Sovjetimperialisme. De kiem voor zijn latere breuk met stalinistisch Rusland werd hier al gelegd. De bolsjewieken waren zich goed bewust van het belang de perceptie van hun anti-imperialistische inborst in stand te houden. In de praktijk verschilde het revolutionaire Rusland nauwelijks van zijn tsaristische voorgangers. Sneevliet durfde echter niet te breken met Rusland dat steeds meer grip kreeg op de Komintern;  zijn rol binnen de wereldrevolutie zou zijn uitgespeeld. Zo werd Sneevliet deels ongewild een verlengstuk van de Russische belangen. Ondertussen liepen de lijnen tussen Moskou en de KMT steeds meer via de Russische diplomatie en verloor de Komintern en dus ook Sneevliet aan invloed.                       Het viel Sneevliet vooral te verwijten dat hij Sun, met wie hij vriendschappelijke banden ontwikkelde, teveel had afgeschilderd als iemand die de intentie had om het socialisme in te voeren. Daarnaast ging Sneevliet er te gemakkelijk van uit dat antikoloniale bewegingen zich automatisch met het socialisme zouden verbinden. Sun bleek nog veel meer een pragmaticus dan Sneevliet door zaken te doen met de westerse imperialistische grootmachten, zo lang hij in China de macht op de krijgsheren maar zou kunnen herwinnen. Sun toonde zich geen vernieuwer, maar bleef steken in oude autoritaire tradities.                                                        Aangezien Sneevliet met zijn uitgebreide correspondentie een grote invloed had op de beeldvorming in Moskou, was zijn rol als agent van de Komintern van groot belang, al waren er meerdere agenten en Russische diplomaten die de koers in Moskou mede bepaalden. Aan het einde van zijn Chinese periode was Sneevliet steeds kritischer geraakt ten aanzien van Sun en zijn beweging. Sneevliet raadde Rusland verdere militaire bijstand af, zolang Sun zich alleen nog maar op militaire zaken bleef oriënteren. Het is daarom vreemd dat Sneevliet zich zelfs na zijn vertrek uit China bereid toonde om direct voor Sun aan de slag te gaan. Hiermee toonde Sneevliet zich een opportunist met een te groot vertrouwen in zijn eigen overredingskracht. Hij was niet in staat de wereldrevolutie los te laten.                                                                         Het is opvallend dat Tichelman vrij kritisch was op de verrichtingen van Sneevliet vanwege de grote invloed van de Russische imperialistische belangen op zijn handelen. Uit zijn correspondentie blijkt echter dat Sneevliet wel degelijk zeer kritisch was op het toenemende Sovjetimperialisme. Of zijn rol nu positief was of niet, Sneevliet verdient vanwege zijn grote invloed op de ontwikkelingen in deze overgangsfase binnen de moderne geschiedenis veel meer historische aandacht, met name in eigen land.                                                                               Een nieuwe biografie met een veel groter accent op Sneevliets grensoverschrijdende activiteiten en met daarin opgenomen de uitgebreide literatuur die in recente jaren over de Komintern is verschenen, zou binnen de Nederlandse geschiedschrijving niet misstaan. Deze zou bovendien een welkome toevoeging vormen op deze literatuur, die zich te weinig toespitst op de manier waarop de Komintern in de praktijk functioneerde door middel van agenten als Sneevliet, die zich tussen twee werelden in staande moesten zien te houden. Maar bovenal zou een nieuwe biografie, door feitelijke opsommingen meer achterwege te laten en door deze kleurrijke figuur met zijn eigenzinnige karakter meer aan het woord te laten, er aan bij kunnen dragen dat Sneevliet in de toekomst terecht gezien zal worden als een van de grootste en meest interessante historische figuren uit de Nederlandse twintigste eeuw.

Primaire Bronnen

 Hessel, Bertil ed., Theses, resolutions & manifestos of the first four congresses of the Third International (Londen 1980).

 Riddell, John ed., Workers of the world and opressed peoples, Unite! Proceedings and documents of the Second Congress, 1920 (New York 1991)

 

Saich, Tony, The origins of the first United Front in China. The role of Sneevliet (alias Maring) (‘Leiden’ 1991).

 

Literatuur

 

Bayly, C.A., The birth of the modern world (Wiley 2004).

 

Best, Antony, ‘We are virtually at war with Russia. Britain and the Cold War in East Asia, 1923–40’, Cold War History 12-2 (2012) 205-225.

 

Bing, Dov, ‘Lenin and Sneevliet. The origins of the theory of colonial revolution in the Dutch East Indies’, New Zealand Journal of Asian Studies 11-1 (2009) 153-177,

 

Bing, Dov, ‘Sneevliet and the early years of the CCP’, The China Quarterly 48 (1971) 677-697.

 

Ch’en, Jerome, ‘The Chinese communist movement to 1927’, in: John K. Fairbank en Dennis Twitchet, The Cambridge History of China Volume 13: Republican China 1912–1949, part 1 (Cambridge 1983) 168-229.

 

Dillon, China. A modern history (Londen 2012).

 

Dirlik, Arif, The origins of chinese communism (New York en Oxford 1989).

 

Elleman, Bruce, Diplomacy and deception. The secret history of Sino-Soviet diplomatic relations, 1917-1927 (Armonk en Londen 1997).

 

Elleman, Bruce, ‘Soviet diplomacy and the first united front in China’, Modern China 21-4 (1995) 450-480.

 

Eto, Shinkichi , ‘China’s international relations, 1911-1931’  In: John K. Fairbank en Albert Feuerwerker ed., The Cambridge History of China, Volume 13: Republican China, 1912-1949, part 2 (Cambridge 1983) 74-115, aldaar 108-110.

 

Fairbank, John K. e.a, ‘Introduction: perspectives on modern China’s history’ in: John K. Fairbank en Albert Feuerwerker, The Cambridge History of China, volume 13: Republican China 1912–1949, part 2 (Cambridge 1986) 1-73.

 

Fowkes, Ben en Bülent Gökay, ‘An unholy alliance. Muslims and communists’, Journal of Communist Studies and Transition Politics 25-1 (2009).

 

Furth, Charlotte, ‘Intellectual change: from the Reform movement to the May Fourth mo

vement, 1895–1920’ in: John K. Fairbank, The Cambridge History of China, volume 12: Republican China 1912–1949, part 1 (Cambridge 1983) 322-405.

 

Häberlen, Joachim C. ‘Between global aspirations and local realities. The global dimensions of interwar communism’, Journal of Global History 7-3 (2012)415-437.

 

Hallas, Duncan, The Comintern. A history of the Third International (Chicago 1985).

 

Haslam, Jonathan, ‘Comintern and Soviet foreign policy, 1919–1941’ in: Ronald Suny ed., The Cambridge History of Russia, volume 3, the twentieth century (Cambridge 2006)  636-661.

 

Hopper, Bruce C., ‘Narkomindel and Comintern. Instruments of world revolution’, Foreign Affairs 19-4 (1941)737-750.

 

Kocho-Williams, Alastair, Russian and Soviet diplomacy, 1900-1939 (Basingstoke en New York 2012).

 

Manela, Erez, The Wilsonian moment. Self-determination and the international origins of anticolonial nationalism (Oxford 2007).

 

Mavrakis, Kostas, On Trotskyism (Londen 1976).

 

Mazower, Mark, Governing the world. The history of an idea (‘Londen etc.’ 2012).

 

McDermott, Kevin en Jeremy Agnew, The Comintern. A history of international communism from Lenin to Stalin (Londen 1996).

 

McLellan, David, ‘Asian communism’ in: Terence Ball en Richard Bellamy ed., The Cambridge History of twentieth-century political thought (Cambridge 2003) 267-281.

 

Perthus, Max, Henk Sneevliet. Revolutionair-socialist in Europa en Azië (Nijmegen 1976).

 

Priestland, David, The red flag. Communism and the making of the modern world (‘Londen etc.’ 2009).

 

Schimmelpenninck van der Oye, David, ‘Russian foreign policy, 1815-1817’ in: Dominic Lieven ed., The Cambridge History of Russia (Cambridge) 554-574.

 

Schwartz, Benjamin, ‘Themes in intellectual history. May Fourth and after’ in: John K. Fairbank en Dennis Twitchet ed., The Cambridge History of China Volume 13: Republican China 1912–1949, part 1 (Cambridge 1983) 406-450.

 

Share, Michael, ‘Clash of worlds. The Comintern, British Hong Kong and Chinese nationalism, 1921-1927’, Europe-Asia Studies 57-4 (2005) 601-624.

 

Sheridan, James E., ‘The warlord era. Politics and militarism under the Peking government, 1916-1928’ in: John K. Fairbank en Dennis Twitchet ed., The Cambridge History of China Volume 13: Republican China 1912–1949, part 1 (Cambridge 1983) 406-450.

 

Smith, S.A., A road is made. Communism in Shanghai, 1920-1927 (Richmond 2000).

 

Spector, Ivar, The first Russian revolution. Its impact on Asia (Englewood Cliffs 1962).

 

Tichelman, Fritjof, Henk Sneevliet, 1886-1942 (Amsterdam 1974).

 

Ven, Hans van de, From friend to comrade. The founding of the Chinese communist party, 1920-1927 (Berkeley 1991).

 

Voerman, Gerrit, De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale, 1919-1930 (Amsterdam en Antwerpen, 2001).

 

Westad, Odd Arne, Restless empire. China and the world since 1750 (New York 2012).

 

White, Steven, ‘Colonial revolution and the Communist International, 1919-1924’, Science and Society 40-2 (1976) 173-193.

 

White, Steven, ‘Communism and the East. The Baku Congress, 1920’,  The Slavic Review 33-3 (1974) 492-514.

 

Whiting, Allen S., Soviet Policies in China, 1917-1924 (New York 1954).

 

[1] Fritjof Tichelman, Henk Sneevliet. Een politieke biografie (Amsterdam 1974) 9.

[2] René Zwaap, ‘Onverzoenlijke eenling’, 13 april 2002, te raadplegen op: www.groene.nl/artikel/onverzoenlijke-eenling.

[3] Max Perthus, Henk Sneevliet. Revolutionair-socialist in Europa en Azië (Nijmegen 1976) 469-470.

[4] Charlotte Furth, ‘Intellectual change: From the Reform movement to the May Fourth movement, 1895-1920’ in: John K. Fairbank, The Cambridge History of China, volume 12: Republican China, 1912 – 1949, part 1 (Cambridge 1983) 322-405, aldaar 324-395.

[5] David McLellan, ‘Asian communism’ in: Terence Ball en Richard Bellamy ed., The Cambridge History of twentieth-century political thought (Cambridge 2003) 267-281, aldaar 267.

[6] Odd Arne Westad, Restless empire. China and the world since 1750 (New York 2012) 3.

[7] Erez Manela, The Wilsonian moment. Self-determination and the international origins of anticolonial nationalism (Oxford 2007).

[8] David Priestland, The Red Flag. Communism and the making of the modern world (‘Londen etc.’ 2009).

[9] Tony Saich ed., The origins of the first United Front in China. The role of Sneevliet (alias Maring) (‘Leiden’ 1991).

[10] Perthus, Henk Sneevliet, 23-26 en 467.

[11] VPRO radio, ‘De gedrevenen’, 14 januari 1992, te raadplegen op: http://www.vpro.nl/metropolis/speel.POMS_VPRO_415555.html.

[12] Perthus, Henk Sneevliet, 32, 27 en 58.

[13] Ibidem, 32

[14] VPRO radio, ‘De gedrevenen’.

[15] Perthus, Henk Sneevliet, 41.

[16] Ibidem, 26, 37 en 41.

[17] Tichelman, Henk Sneevliet, 14.

[18] Gerrit Voerman, De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale, 1919-1930 (Amsterdam en Antwerpen, 2001) 23.

[19] Ibidem, 26-27 en 34.

[20] Tichelman, Henk Sneevliet, 19-21.

[21] Perthus, Henk Sneevliet, 97 en 104.

[22] Ibidem, 109.

[23] A. Menist en W. Dollenam ed., Internationaal Socialisme. Teksten van revolutionaire socialisten, 1911-1942 (Rotterdam 1984) 12-13.

[24] Saich ed., The origins of the first united front in China, 6-7.

[25] Henk Sneevliet, ‘Het klassenstrijdelement in den bevrijdingsstrijd der Indonesiërs’ in Menist en Dollenam ed., Internationaal Socialisme, 27.

[26] Henk Sneevliet, ‘De revolutionaire Sociaal-Democraten in de I.S.D.V.’ in Menist en Dollenam ed., Internationaal Socialisme, 32.

[27] Michael Williams, ‘Sneevliet and the birth of Asian communism’, New Left Review I/123 (1980) 81-90, aldaar 84.

[28] Saich ed., The origins of the first united front in China, 9-11.

[29] Williams, ‘Sneevliet and the birth of Asian communism’, 84-85.

[30] Perthus, Henk Sneevliet, 177.

[31] Henk Sneevliet, ‘Zegepraal’, maart 1917, te raadplegen op: https://www.marxists.org/nederlands/sneevliet/.

[32] Henk Sneevliet, ‘Verdedigingsrede’, 1917, in Menist en Dollenam ed., Internationaal Socialisme, 17-19.

[33] Tichelman, Henk Sneevliet, 24.

[34] Henk Sneevliet, ‘Honger en machtsvertoon’, november 1918, te raadplegen op: https://www.marxists.org/nederlands/sneevliet/.

[35] Perthus, Henk Sneevliet, 117.

[36] Ibidem, 163.

[37] Ibidem, 208-210.

[38] Tichelman, Henk Sneevliet, 27 en 30.

[39] Ibidem, 28-29.

[40] Perthus, 213-215 en 218-219.

[41] Ivar Spector, The first Russian revolution. Its impact on Asia (Englewood Cliffs 1962) 29 en 85.

[42] Westad, Restless empire, 8-11 en 33.

[43] Ibidem, 43-45.

[44] Dillon, China. A modern history (Londen 2012) 102.

[45] Schimmelpenninck van der Oye, David, ‘Russian foreign policy, 1815-1817’ in: Dominic Lieven ed., The Cambridge History of Russia (Cambridge) 554-574, aldaar 561.

[46] Hans van de Ven, From friend to comrade. The founding of the Chinese communist party, 1920-1927 (Berkeley 1991) 11.

[47] Dillon, China, 101-106.

[48] Schimmelpenninck van der Oye, ‘Russian foreign policy’, 564.

[49] Westad, Restless empire, 117 en 124-125.

[50] Ibidem, 130-131.

[51] Dillon, China, 115.

[52] Manela, The Wilsonian moment,  105.

[53] Christopher Bayly, The birth of the modern world (Wiley 2004) 287.

[54] Westad, Restless empire, 129-130.

[55] Mark Mazower, Governing the world. The history of an idea (‘Londen etc.’ 2012) 79.

[56] Schimmelpenninck van der Oye, ‘Russian foreign policy’, 568.

[57] Westad, Restless empire, 117-18.

[58] Ibidem, 114-115.

[59] Dillon, China, 135-136.

[60] John K. Fairbank en Dennis Twitchet, ‘Introduction. Perspectives on modern China’s history’, in: John K. Fairbank en Dennis Twitchet ed., The Cambridge History of China Volume 13: Republican China 1912–1949, part 1 (Cambridge 1983) 1-73, aldaar 2.

[61] Spector, The first Russian revolution, 29-30.

[62] Dillon, China, 151-152.

[63] James E. Sheridan, ‘ The warlord era. Politics and militarism under the Peking government, 1916-1928’ in: John K. Fairbank en Dennis Twitchet ed., The Cambridge History of China Volume 13: Republican China 1912–1949, part 1 (Cambridge 1983) 406-450, aldaar 296 en 319-320.

[64] Dillon, China, 115-116.

[65] Arif Dirlik, The origins of chinese communism (New York en Oxford 1989) 3 en 21-22.

[66] Van de Ven, From friend to comrade, 9-10 en 14.

[67] Dirlik, The origins of chinese communism, 20.

[68] Ibidem, 13.

[69] Perthus, Henk Sneevliet, 245.

[70] Westad, Restless empire, 158 en 285-286.

[71] Manela, The Wilsonian moment, 110.

[72] Dirlik, The origins of chinese communism, 19 en 29.

[73] Manela, The Wilsonian Moment, 153.

[74] Ibidem, 180-181.

[75] Ibidem,, 107-108

[76] Priestland, Red Flag, 234.

[77] Bruce A. Elleman, ‘Soviet diplomacy and the first United Front in China’, Modern China 21-4 (1995) 450-480, aldaar 460.

[78] Allen S. Whiting, Soviet politics in China, 1917-1924 (New York 1954) 4 en 21.

[79] Ibidem, 11.

[80] Lenin, ‘Socialism and war’, juli en augustus 1915, te raadplegen op: https://www.marxists.org/archive/lenin/works/1915/s+w/ch01.htm#v21fl70h-299.

[81] Manela, The Wilsonian Moment, 42-43.

[82] Alexander Reznikov, The Comintern and the East. Strategy and tactics (Moskou 1978)  7 en 36-37.

[83] Lenin, ‘Backward Europe and advanced Asia’, 18 mei 1913, te raadplegen op: https://www.marxists.org/archive/lenin/works/1913/may/18.htm.

[84] Karl Marx en Friedrich Engels, ‘Het communistisch manifest’, februari 1848, te raadplegen op: https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1848/manifest/.

[85] Jeremy Smith, The Bolsheviks and the national question, 1917-23 (Basingstoke 1999) 3 en 20.

[86] Whiting, Soviet policies in China, 13.

[87] Voerman, De meridiaan van Moskou., 10-11.

[88] Lenin, ‘Terms of admission into Communist International’, juli 1920, te raadplegen op: https://www.marxists.org/archive/lenin/works/1920/jul/x01.htm.

[89] Jochem Haslam, ‘Comintern and Soviet foreign policy, 1919–1941’ in: Ronald Suny ed., The Cambridge History of Russia, volume 3, the twentieth century (Cambridge 2006)  636-661, aldaar 637.

[90] Gerrit Voerman, ‘Bolsjewieken, tribunisten en het Amsterdams bureau van de Komintern, 1919-1920’ in: Voerman ed., Jaarboek Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (Groningen 1996) 129-155, aldaar 129-155.

[91] Dov Bing, ‘Lenin and Sneevliet. ‘The origins of the theory of colonial revolution in the Dutch East Indies’, New Zealand Journal of Asian Studies 11-1 (2009) 153-177, aldaar 161.

[92] Steven White, ‘Communism and the East. The Baku Congress, 1920’, The Slavic Review 33-3 (1974) 492,514, aldaar 496.

[93] John Riddell, ‘Introduction’ in: Riddell ed., Workers of the world and opressed peoples, Unite! Proceedings and documents of the Second Congress, 1920 (New York 1991) 1 en 9.

[94] Lenin, ‘The awakening of Asia’, 7 mei 1913, te raaplegen op: https://www.marxists.org/archive/lenin/works/1913/may/07b.htm.

[95] Bing, ‘Lenin and Sneevliet’, 153 en 164-165.

[96] Karl Radek, ‘Tweede congres van de Komintern, sessie 16, 6 augustus’ in: Riddell ed., Workers of the world and opressed peoples, Unite! 774.

[97] John Riddell, ‘Introduction’ in: Riddell ed., Workers of the world and opressed peoples, Unite! Proceedings and documents of the Second Congress, 1920 (New York 1991) 25.

[98] Bing, ‘Lenin and Sneevliet’, 166.

[99] N. Roy, ‘Supplement theses on the national and colonial questions, session 4, July 26th’ in: Riddell ed., Workers of the world and opressed peoples, Unite! 221-222.

[100] Maring, ‘National and colonial questions, session 5, July 28th’ in Riddell ed., Workers of the world and opressed peoples, Unite! 255-260.

[101] Bing, ‘Lenin and Sneevliet’, 169.

[102] Lenin, ‘National and colonial questions, session 4, July 26th’ in Riddell ed., Workers of the world and opressed peoples, Unite! 212-213.

[103] White, ‘Communism and the East’, 496.

[104] Ben Fowkes en Bülent Gökay, ‘An unholy alliance. Muslims and communists’, Journal of Communist Studies and Transition Politics 25-1 (2009) 1-31, aldaar 2 en 11.

[105] Haslam, ‘Comintern and Soviet foreign policy, 1919-1941’, 638-639.

[106] Ibidem, 638-639.

[107] Whiting, Soviet policies in China, 111-112 en 118.

[108] Bruce C. Hopper, ‘Narkomindel and Comintern. Instruments of world revolution’, Foreign Affairs 19-4 (1941) 737-750, aldaar 738.

[109] Elleman, ‘Soviet diplomacy and the first united front in China’, 451 en 466.

[110] White, ‘Communism and the East’, 506.

[111] Shinkichi Eto, ‘China’s international relations, 1911-1931’  In: John K. Fairbank en Albert Feuerwerker ed., The Cambridge History of China, Volume 13: Republican China, 1912-1949, part 2 (Cambridge 1983) 74-115, aldaar 108-110.

[112] Bruce Elleman, Diplomacy and deception. The secret history of Sino-Soviet diplomatic relations, 1917-1927 (Armonk en Londen 1997) 18-19.

[113] Ibidem, 201.

[114] Haslam, ‘Comintern and Soviet foreign policy, 1919–1941’, 639-641.

[115] Ibidem, 604.

[116] Van de Ven, From friend to comrade, 131.

[117] Henk Sneevliet, ‘De Chinese kwestie’, Februari 1927 in: Menist en Dolleman, Internationaal Socialisme, 43-45.

[118] Schimmelpenninck van der Oye, ‘Russian foreign policy’, 561..

[119] Perthus, Henk Sneevliet, 242.

[120] Procureur-Generaal bij het Hooggerechtshof van Nederlands, ‘Rapport aan de Gouverneur-Generaal’ , 12 mei 1922, in: Saich, The origins of the first United Front in China , 261.

[121] Sneevliet, ‘De Chinese arbeider’, 9 en 10 novermber 1921, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 737-739.

[122] Sneevliet, ‘De Chinese arbeider’, 737-742.

[123] Sneevliet, ‘The awakening of the Chinese labouring masses’, 22 november 1922, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 767.

[124] Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Henk Sneevliet archief, archiefnummer 225:  ‘Bericht des genossen H. Maring für die Executive’, 11 juli 1922.

[125] Sneevliet, ‘Bericht über die Lage in China’, 31 mei 1923, in Saich, The origins of the first United Front in China, 531-533.

[126] Sneevliet, ‘Für Genosse Sinoview, Bucharin, Radek, 20 juni 1923’ in Saich The origins of the first United Front in China, 603-610.

[127] Van de Ven, From friend to comrade, 55.

[128] Zhang Guotao, The rise of the communist party. The autobiography of Chang Kuo-t’ao (Lawrence 1972) 223-224.

[129] Ibidem, 294.

[130] Smith, A road is made,  35 en 50-51.

[131] Sneevliet, ‘The Revolutionary-Nationalist movement in South China’, 13 september 1922, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 748-750.

[132] Sneevliet, ‘Report on the Third Party Congress’, juni 1923, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 575 – 576.

[133] Zhang, The rise of the communist party, 137-139 en 301.

[134] Ibidem, 162-163.

[135] Chen Duxiu, ‘Brief aan Voitinsky’, 6 april 1922, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 256.

[136] Smith, A road is made, 28-29.

[137] Mao Zedong, ‘Notes of delegates’ comments at the Third Party Congress’, juni 1923, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 580.

[138] Sneevliet, ‘Für Genosse Sinoviev, Bucharin und Radek’, 20 juni 1923, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 616-618.

[139] Sneevliet, ‘Uit het Verre Oosten’, 6-8 mei 1922 in: Saich, The origins of the first United Front in China, 743.

[140] Elleman, Diplomacy and deception, 211.

[141] ‘Bericht des genossen H. Maring für die Executive’.

[142] Sneevliet, ‘Uit het Verre Oosten’, 746.

[143] Sneevliet, ‘Discussion on the relation between CPC and Kuomindang’, juni 1923, in:

Saich, The origins of the first United Front in China, 587-591.

[144] Zhang, The rise of the communist party, 303.

[145] Sneevliet, ‘Für Genosse Sinoviev, Bucharin und Radek’, 608.

[146] Sneevliet, ‘His force and ours’, 9 mei 1923, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 779-780.

[147] Joffe en Sneevliet, ‘Zur frage unserer Arbeit in den Kolonial- und Halbkolonial-laendern überhaupt und in China ins besonders’, datum onbekend, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 367-369.

[148] Resolutie van het EKKI. ‘On the relations of the CCP with  the KMT’, 12 januari 1923, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 565-566.

[149] Richtlijk van het EKKI, ‘Directives to the Second Congress of the CCP’, 24 mei 1923, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 566-567.

[150] Dirlik, The origins of Chinese communism, 193-195.

[151] Elleman, Diplomacy and deception, 202.

[152] Steven White, ‘Colonial revolution and the Communist International, 1919-1924’, Science and Society 40-2 (1976) 173-193, aldaar 182.

[153] Secret Intelligence Report No. 1189, June 27th, 1923, F.O. 371.9369/N5849, aangehaald in: White, ‘Colonial revolution and the Communist International’, 192.

[154] Sneevliet, ‘Für Genosse Sinoviev, Bucharin und Radek’, 610.

[155] Joffe, ‘Lieber Genosse Maring!, 17 november 1922, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 356.

[156] Elleman, Diplomacy and deception, 109 en 204.

[157] ‘Sneevliet, ‘Für Genosse Sinoviev, Bucharin und Radek’, 610

[158] Joffe en Maring, ‘Zur frage unserer Arbeit in den Kolonial- und Halbkolonial-ländern überhaupt und in China ins besondere’, 367-369.

[159] Chen Duxiu, ‘The immediate tactics of the communist party of China’, datum onbekend, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 363.

[160] Elleman, Diplomacy and deception, 75-76.

[161] Ibidem, 75-76.

[162] Sneevliet, ‘Report on the Third Party Congress’, 574-575.

[163] ‘The May Directive of the EKKI to the Third Congress of the Chinese Communist Party, 24 mei 1923, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 568.

[164] Haslam, ‘Comintern and Soviet foreign policy’, 639.

[165] Sneevliet, ‘The Revolutionary-Nationalist movement in South China’, 751.

[166] Sneevliet, ‘Brief aan Van Ravesteyn’, 26 februari 1923, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 379.

[167] Sneevliet, ‘Bericht über die jetzige Lage in der Kwantungprovinz’, 12 juni 1923, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 546-548.

[168] Sneevliet, ‘Für die Genossen Joffe, Davtian und Sinoviev, 31 mei 1923, in Saich ed., The origins of the first United Front in China, 542-543.

[169] Sneevliet, ‘Letter to Liao Zhongkai’, 21 juli 1923, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 394.

[170] Sneevliet, ‘Für Genosse Sinoviev, Bucharin und Radek’, 610-611

[171] Ibidem, 618.

[172] Zhang, The rise of the communist party, 303-305

[173] Sneevliet, ‘Discussion on the relation between the CPC and Kuomintang’, juni 1923, in Saich ed., The origins of the first United Front in China, 586.

[174]Zhang Guotao, ‘Letter to Voitinsky and Musin’, 16 november 1923, in: Saich ed., The origins of the first United Front in China, 621-622 en 626-627.

[175] Sneevliet, ‘Lieber Genosse Bucharin’,  493-495.

[176] Smith, A road is made, 53.

[177] Sneevliet, ‘Bericht des genossen H. Maring für die Executive’, 298.

[178] Sneevliet, ‘Lieber Genosse Bucharin’, 495.

[179] Sneevliet, ‘Letter to Sun Yat-sen’, 29 april 1924, in: Saich, The origins of the first United Front in China, 719-721.

[180] Sneevliet, ‘Letter to M. Borodin’, 29 april 1924 en Sneevliet ‘Letter to G. Voitinsky’, 29 april 1924,  in: Saich, The origins of the first United Front in China, 721-725.

[181] Kostas Mavrakis, On Trotskyism (Londen 1976) 136.

[182] Andy Blunden, ‘Stalinism. Its origin and future’, 1993, te raadplegen op: https://www.marxists.org/subject/stalinism/origins-future/ch1-2.htm.

[183] Smith, A road is made, 54-55.

[184] Zhang Guotao, ‘Letter to Voitinsky and Musin’, 626.